Nederland in Ideeën 2015: André Knottnerus

 

 

 

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

 

‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

 

De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze site vind je het antwoord van André Knottnerus. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ [link naar nederlandinideeen.nl] van de tentoonstelling.

 

Weet u het zeker, dokter?

U en ik zijn uniek, en we verwachten van dokters maatwerk. Maar als de dokter zegt: ‘U bent zo uniek dat ik helemaal opnieuw moet gaan nadenken’, worden we onrustig. Immers, goede geneeskunde begint juist niet bij af, maar laat ons profiteren van een voortdurend groeiende hoeveelheid kennis. Geen maatwerk zonder kennis dus. Maar die kennis moet wel in orde zijn. Daarom beoordelen klinisch epidemiologen de wetenschappelijke onderbouwing van medische inzichten en handelingen. Zij stellen daarbij even eenvoudige als noodzakelijke vragen als: klopt het, werkt het, en hoe zeker is dat? Ook patiënten – en dat zijn wij allemaal weleens – kunnen deze vragen vriendelijk maar gedecideerd aan de dokter voorleggen als deze een behandeling voorstelt. Dat is goed voor de kwaliteit van de zorg.

Juist bij ingesleten handelingen worden zulke vragen niet gauw gesteld. Zo was het decennialang de gewoonte om bij rugklachten allerlei röntgenfoto’s te maken. Dat leverde veel bevindingen én medisch handelen op. Pas toen hierover kritische vragen werden gesteld omdat dit patiënten niet hielp, werd nader onderzoek gedaan. Het bleek dat bij mensen zonder rugklachten ongeveer dezelfde afwijkingen te vinden zijn. Een foto of scan heeft dan weinig zin en kan de arts zelfs op een dwaalspoor brengen. Een ander voorbeeld: tot voor kort werd mensen met naar het been uitstralende rugpijn een paar weken strenge bedrust voorgeschreven. Naar aanleiding van kritische vragen of dit wel nodig was, werd ook dit nader bekeken. Van een groep patiënten kreeg de helft strenge bedrust en mocht de andere helft zo veel bewegen als de klachten toelieten. Beide groepen herstelden even snel en goed. De actievere aanpak is nu standaard geworden. Uit ander onderzoek bleek dat patiënten met deze klachten ook veel minder vaak geopereerd hoeven te worden dan gebruikelijk was. Dit alles bespaart veel mensen een hoop praktische ellende, en voorkomt heel wat complicaties, ziekteverzuim en zorguitgaven.

Zo zijn er talloze voorbeelden te noemen. Soms weten we niet zeker of het allemaal wel zo werkt als men denkt, want onderzoek daarnaar vindt nog te weinig plaats. Maar alleen al uit het wél uitgevoerde onderzoek, zoals beoordeeld door de wereldwijde Cochrane Collaboration, valt af te leiden dat we in ons land miljarden per jaar kunnen besparen zonder de volksgezondheid te schaden.

Dat neemt niet weg dat er aanzienlijke vooruitgang is geboekt en er gelukkig veel is ontwikkeld waarvan het nut wél is aangetoond, zoals zuigelingenvaccinaties, cognitieve gedragstherapie, en de behandeling van zaadbalkanker. Wat men wel en niet weet, en wat (nog) onzeker is, moet echter duidelijk en geloofwaardig uitgelegd kunnen worden. Daarbij hebben artsenorganisaties, de Gezondheidsraad, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Zorginstituut Nederland een belangrijke taak. Maar uiteindelijk zijn dokters in de spreekkamer verantwoordelijk voor hun handelen. Daarom is het goed als patiënten op behandelingsvoorstellen reageren met de vraag: hoe zeker is het dat dit voor mij goed werkt? Voor veel dokters is dat een welkome uitnodiging voor nadere uitleg, voor andere een wake-upcall om zich nog eens extra goed af te vragen: wat is nu wel en niet in het belang van degene die tegenover mij zit? Dan kan ook de patiënt beter meedenken, en juist bij onzekerheid kan dat doorslaggevend zijn.

Het inzicht dat goede communicatie tussen patiënt en arts de kwaliteit van de zorg bevordert, breekt ook internationaal door. Zo heeft ook het Amerikaanse Agency for Healthcare Research and Quality vragen ontwikkeld die patiënten kunnen stellen als hun een onderzoek, behandeling of verwijzing wordt voorgesteld. Deze variëren van ‘Waarvoor is dit onderzoek bedoeld?’, ‘Waarom heb ik deze behandeling nodig?’ en ‘Zijn er alternatieven?’ tot ‘Wat zijn de mogelijke complicaties?’ Zulke vragen kunnen dokters op een goede manier op scherp zetten, de patiëntenzorg verbeteren, en de medische kennis bevorderen. Daarmee zijn wij allen gebaat.

In het internettijdperk is een kritische basishouding er niet minder belangrijk op geworden. Integendeel. Er dringt zich een hoop niet-objectieve medische informatie op, verpakt in wetenschappelijk ogende lay-out, met sluikreclame voor allerlei niet getoetste – en vaak extra te betalen, want niet verzekerde – behandelingen, niet zelden gericht op wanhopige en gemakkelijk te verleiden doelgroepen. Daarbij liggen ook andere belangen dan die van de patiënt op de loer. Juist ook dan komt het erop aan kritische vragen te stellen, en die met je dokter te delen.

Kortom: de kernvragen van de klinisch epidemioloog – klopt het, werkt het, en hoe zeker is dat? – sluiten aan bij wat dokters én patiënten moeten weten en met elkaar moeten bespreken. De feedback die patiënten vanuit hun eigen beleving kunnen geven is daarbij onmisbaar.

 

 

André Knottnerus

Hoogleraar Huisartsgeneeskunde en klinisch epidemioloog; voorzitter Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid; voormalig voorzitter Gezondheidsraad; lid van De knaw

 

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

 

Dit stuk heeft geen reacties

Schrijf een reactie

Reageer als eerste!