Nederland in Ideeën 2015: Rutger Bregman

 

 

Welkom! Dit bericht is onderdeel van de online tentoonstelling Nederland in ideeën, waarin 93 wetenschappers, ondernemers en kunstenaars antwoord geven op één vraag van Paulien Cornelisse:

 ‘Welk inzicht uit je vakgebied kan anderen helpen in het dagelijks leven?’

 De tentoonstelling is verspreid over 93 websites. Op deze site vind je het antwoord van Rutger Bregman. Je kunt onderaan dit bericht doorklikken naar het volgende antwoord, of een bezoekje brengen aan de ‘centrale hal’ [link naar nederlandinideeen.nl] van de tentoonstelling.

Een wetenschap met zelfspot

Als de geschiedenis één les bevat die het leven aan het begin van de eenentwintigste eeuw een beetje aangenamer kan maken, dan is het deze: vroeger was het allemaal nog veel erger. We hebben er doorgaans geen flauw benul van hoeveel gezonder, veiliger, rijker, beschaafder en vredelievender we zijn geworden in de afgelopen honderd jaar.

Neem onze gezondheid. De levensverwachting stijgt bijna overal ter wereld, pokken, polio en mazelen zijn zo goed als uitgeroeid en kindersterfte en honger zijn op hun retour. De gemiddelde burger leeft nu twee keer zo lang als de gemiddelde inwoner van het rijkste land in 1850, en de extreme armoede is wereldwijd afgenomen van 80 procent in 1820 naar 50 procent in 1980 en minder dan 20 procent nu. Dat wil zeggen: een zwerver in Nederland is tegenwoordig even rijk als een modale Nederlander in 1950 en drie keer zo rijk als een modale burger tijdens die zogenaamde Gouden Eeuw. Gecorrigeerd naar inflatie.

En trouwens, volgens het Peace Research Institute in Oslo is het aantal oorlogsslachtoffers met maar liefst 90 procent afgenomen sinds 1946. Ons moordcijfer ligt dertig keer lager dan in de Middeleeuwen en de criminaliteit daalt ook al jaren. Verder is het homohuwelijk in opmars, zien we een wereldwijde, razendsnelle emancipatie van de vrouw en is het aantal democratieën geëxplodeerd sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Ik kan zo nog wel even doorgaan, maar de vraag is natuurlijk: wat hebben we aan deze kennis in ons dagelijks leven? Moeten we dankbaar zijn voor het immense geluk dat we hier en nu zijn geboren, in het rijke Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw? Mogen we optimistisch zijn, of in ieder geval strijdbaar, als het gaat over de toekomst van ons land en de rest van de mensheid? Of kunnen we de media en de dagelijkse toevloed van slecht, slechter, slechtst nieuws wat minder serieus nemen?

Het antwoord is drie keer ja. Als de geschiedbeoefening ons ergens bij kan helpen, dan is het relativeren. Geschiedenis is een wetenschap met zelfspot. En zelfspot is cruciaal, in ieder mensenleven. Het helpt ons om onze gezamenlijke rampen (crisis, verloedering, teloorgang) te verwerken en onze persoonlijke rampen (ontslagen, beroofd, ziek) in een breder perspectief te plaatsen.

In het publieke debat vervult het verleden helaas de tegenovergestelde functie. Het gebeurt maar al te vaak dat een probleem wordt aangewezen waarna bijna automatisch, in stilte, wordt aangenomen dat het vroeger beter was. Moord hier, faillissement daar – en ach, die goeie ouwe tijd. Maar in negen van de tien gevallen was het vroeger niet beter. Vaak was het net zo slecht. Of nog slechter.

Toch denk ik dat de historicus ons gemoed nog meer kan bieden dan de relativering alleen. Waar de geschiedbeoefening ook bij kan helpen, is het stimuleren van onze verbeeldingskracht. En dat is broodnodig. Het huidige politieke landschap is zo vlak als onze polder. Kiezers zweven omdat partijen zo op elkaar zijn gaan lijken, terwijl we – hoe welvarend ook – voor een aantal wereldhistorische uitdagingen staan. Denk aan de explosie van ongelijkheid en de razendsnelle verandering van ons klimaat. Het zijn grote problemen die grote oplossingen vergen, en dus ook een grote verbeeldingskracht, maar helaas is het tijdperk van de grote verhalen voorbij.

Als er al fundamentele alternatieven worden geschetst, dan laten we dat meestal over aan de salonfilosofen in de ivoren toren van de academie. Uit hun modellen en abstracties komen mooie ideeën, maar die worden al snel afgedaan als hersenschimmen en luchtkastelen. Het is mijn stellige overtuiging dat het bieden van alternatieven de belangrijkste taak van de intellectueel is. De intellectueel moet laten zien dat het anders kan – dat ideeën de wereld kunnen veranderen.

Laat nu juist de geschiedbeoefening daar bij uitstek geschikt voor zijn. De historicus kan verhalen vertellen over hoe het vroeger daadwerkelijk anders is gegaan, hoe de huidige inrichting van de arbeidsmarkt, sociale zekerheid en de democratie niet vanzelfsprekend zijn, hoe utopieën als de kortere werkweek (voor de industriële revolutie werkten we veel minder) of het basisinkomen (waar uitgebreid en succesvol mee is geëxperimenteerd) in het verleden hebben uitgepakt.

Het verleden leert ons een eenvoudige waarheid, die toch allang niet meer vanzelfsprekend is. Het kan anders. En misschien ook nog wel beter, maar vanzelfsprekend is dat niet. Want als historici ergens niet in geloven, dan zijn het wel die zogenaamde ‘wetten van de geschiedenis’. Het verleden leert ons van alles over het hier en nu, maar over de dag van morgen is de historicus bescheidener dan welke wetenschapper ook. De toekomst, zo weet hij immers, die maken we zelf.

Rutger Bregman

Historicus; redacteur De Correspondent; auteur van De geschiedenis van de vooruitgang (2013) en Gratis geld voor iedereen (2014)

 

Alle antwoorden zijn ook beschikbaar in boekvorm onder de titel Dit wil je weten: Wetenschappers ondernemers en kunstenaars geven adviezen voor het dagelijks leven

Klik hier voor het volgende antwoord

Klik hier voor een bezoekje aan de centrale hal van de expositie

 

Dit stuk heeft geen reacties

Schrijf een reactie

Reageer als eerste!