• Rubrieken
  • science palooza.nl

    scherp en verantwoord wetenschapsnieuws (in beta)
    Geplaatst op 16 juli, 13:02 door Andre. Categorie Columns en Opinie, Nieuws, Volkskrant Opinie. Reacties (5).


    Dierproeven worden onder meer gebruikt om het gezondheidsrisico van stoffen in kaart te brengen. Voor het bepalen van de potentie van stoffen om oogirritatie te veroorzaken is door TNO een alternatief voor de welbekende konijnentest ontwikkeld. Helaas heeft het bijna twintig jaar geduurd voordat deze test door de regelgevende instanties als officieel alternatief is geaccepteerd. Een betere samenwerking tussen wetenschappers en regelgevers zou een goede zaak zijn voor de ontwikkeling en acceptatie van alternatieve, dierproefvrije toxiciteittesten.

    Oogirritatietest

    Om het gezondheidsrisico van nieuwe stoffen die op de markt komen te bepalen worden vaak dierproeven gebruikt. Een voorbeeld hiervan is de draize-oogirritatietest die wordt gebruikt om te voorspellen welke stoffen de potentie hebben om oogirritatie te veroorzaken. Hiervoor worden stoffen in het oogzakje van een konijn gedruppeld om na een bepaalde tijd de eventuele schade van het oog te beoordeelden. Deze test kan uitermate pijnlijk zijn voor het konijn. De Draize-oogirritatietest ligt al jaren onder vuur, vooral omdat de resultaten van de test nogal variabel zijn, zeker voor vaste en pasta-achtige stoffen.

    Goed nieuws

    Nu is er wat betreft de oogirritatietest goed nieuws te melden; er bestaan een aantal alternatieve testen die beter kunnen voorspellen of een stof irriterend is zonder dat hiervoor levende dieren hoeven te worden gebruikt. Sterker nog, één van deze testen, de geïsoleerde kippenogentest, is recent geaccepteerd door de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) en in de richtlijnen voor het testen van stoffen die oogirritatie veroorzaken, opgenomen als alternatief voor de Draize-test. De kippenogentest gebruikt kippenogen vers uit het slachthuis die reageren op de te testen stoffen als een levend oog. Doordat niet met levende dieren wordt gewerkt kan de blootstelling van stoffen veel beter worden gecontroleerd. Dit betekent dat het risico van stoffen op oogschade goed beter? in kaart kan worden gebracht. De test is mede door TNO-er Menk Prinsen ontwikkeld die daar kortgeleden ook de “Hugo van Poelgeestprijs” voor heeft gekregen. Tot zover het goede nieuws.

    Slecht nieuws

    Ik was nogal verbaasd toen ik hoorde dat de uiteindelijke beslissing om de test in de officiële richtlijnen op te nemen als valide alternatief voor de Draize-test bijna 20 jaar op zich heeft laten wachten. En dan nog mag de kippenogentest alleen worden gebruikt voor ernstig irriterende stoffen; zwak irriterende stoffen moeten nog steeds met behulp van de Draize-test worden beoordeeld. Waarom deze afwachtende houding bij het invoeren van een prima alternatief? Om onduidelijke redenen wordt door de regelgevende instanties de Draize-oogirritatie test als gouden standaard gehanteerd en wordt van alternatieve testen verwacht dat de resultaten vergelijkbaar zijn met de (variabele) uitkomsten van die test.

    Noodzaak voor dierproefvrije toxiciteittesten

    Momenteel wordt er door wetenschappers over de hele wereld op allerlei gebieden gewerkt aan de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven. Behalve het verminderen van het proefdier gebruik, is een belangrijke drijfveer voor wetenschappers dat dierproeven niet altijd een goede voorspelling geven over de toxiciteit van stoffen. Van een bepaalde groep stoffen geldt bijvoorbeeld dat ze in ratten gemakkelijk tumoren veroorzaken terwijl het bekend is dat dezelfde stoffen in mensen geen kanker veroorzaken. Testen met menselijke cellen zouden in een dergelijk geval mogelijk een hogere voorspellende waarde hebben.

    Hoe nu verder?

    Hoe nu kunnen we voorkomen dat er weer een lange tijd overheen gaat voordat een alternatief voor een dierproef wordt geaccepteerd als richtlijn? Allereerst zullen regelgevers in vergelijkbare gevallen eerder moeten erkennen dat alternatieven prima voldoen en niet te veel vasthouden aan de gouden standaard die vaak niet optimaal is. Het is te gemakkelijk om af te geven op enkel de conservatieve regelgevende instanties maar het zou geen kwaad kunnen als er bij deze instanties een verjongingsslag zou plaatsvinden. Nog beter zou het zijn om de regelgevers bij de verschillende fasen in de ontwikkeling van een dierproefvrije toxiciteittest te betrekken. Regelgevers kunnen dan in een vroeg stadium aangeven welke knelpunten later te verwachten zijn. Ze kunnen ook de beperking van een test aangeven; bijvoorbeeld dat een alternatief misschien niet zo breed kan worden ingezet als in eerste instantie werd gedacht. Organisaties die wetenschappers van geld voorzien zouden dit op hun beurt kunnen stimuleren door betrokkenheid van de instanties bij de uitvoering van een project als voorwaarde te stellen.

    Goede wil van regelgevende instanties, in combinatie met een betere samenwerking tussen wetenschappers en regelgevers maar misschien ook industrie en dierenbelangenorganisaties zou een sterke impuls kunnen geven aan de ontwikkeling en acceptatie van alternatieve, dierproefvrije toxiciteittesten. Dit zal uiteindelijk leiden tot een sterke vermindering van dierproeven en verbetering van de voorspelling van de toxiciteit van stoffen.


    Volg commentaar via de RSS 2.0 feed. Je kan een fijne reactie achterlaten, of maak vooral een trackback.

    Dit stuk heeft 5 Reacties

    1. Richard
      Posted 17 juli 2010 17:19 at 17:19 | Permalink

      Ik vind het heel moedig, en ook heel prijzenswaardig, dat Andre dit stukje geschreven heeft. Dierproeven, is een onderwerp, waarbij de gemoederen al snel hoog oplopen. Een van de kernvragen is: hoe draag je als wetenschapper verantwoordelijkheid voor het leed dat een dierproef aan het dier veroorzaakt? Naar ‘de samenleving toe’, heeft een wetenschapper zich strikt gesproken alleen aan de wet te houden, meer niet. Daarin is hij niet anders als bijvoorbeeld een ondernemer.

      Op een persoonlijk vlak gelden echter andere criteria. Als je bijvoorbeeld van de wetenschap ook je wereldbeeld gemaakt hebt, zou je volgens mij strikt gesproken leven en dood helemaal niet belangrijk moeten vinden. Vanuit de evolutietheorie geredeneerd, maakt het helemaal niet uit wie er leeft of sterft, het is puur en alleen een biochemisch proces dat zich op de aarde voltrekt. Maar als ik met Atheïsten praat, dan vinden zij het wel degelijk belangrijk wie er leeft of sterft in hun omgeving. En ook tonen ze grote betrokkenheid met dierenleed. Er gelden voor hen dus blijkbaar niet alleen wetenschappelijke criteria, maar ook ethische criteria.

      In de ethiek is het juist extreem belangrijk wie er leeft of sterft, en het lijkt daarmee een tegenpool van de wetenschap te zijn. Je zou ethiek kunnen zien in absolute zin, of in relatieve zin.

      In absolute zin, heeft ethiek een spirituele dimensie, en is het een zaak van goed en kwaad. In relatieve zin, is ethiek een zaak tussen levende wezens onderling, en is het een zaak van goed en slecht. (waarbij slecht eigenlijk ‘minder goed’ is.)

      Met name in de relatieve visie op ethiek, krijg je een situatie, waarbij een oordeel uiteindelijk niet aan God overgelaten wordt, maar aan ‘controleurs’. Ik vraag mij in alle oprechtheid af of dit een wel een begaanbare weg is. Een voorbeeld zagen we in het stukje ‘van muizen en mensen: meetbare pijn’. http://www.sciencepalooza.nl/?p=2883 Is het zinnig om een meetmethode te ontwerpen, waarbij een wetenschapper fout zit als een muis boven een bepaalde meetbare pijngrens uitkomt? Ik vind van niet. Maar ik zeg dat, omdat ik geloof een absolute ethiek. Van mensen die alleen een relatieve ethiek aanhangen, kan ik me voorstellen dat die een andere houding hebben.

      Er moeten zeer zeker regels zijn voor dierproeven, en het is altijd goed, als dierenleed vermeden kan worden. Daarover zullen de meeste mensen het volgens mij wel eens zijn.

    2. Anoniem
      Posted 21 juli 2010 14:33 at 14:33 | Permalink

      @Richard: wat dierproeven betreft, zijn we het met elkaar eens. Maar over ethiek niet helemaal. Jij vermoedt “Als je bijvoorbeeld van de wetenschap ook je wereldbeeld gemaakt hebt, zou je volgens mij strikt gesproken leven en dood helemaal niet belangrijk moeten vinden.”

      Dat klopt niet: mijn wereldbeeld is ‘wetenschappelijk’(dat wil zeggen: ik geloof dat we alles wat er is kunnen verklaren met behulp van logica), maar ik vind leven en dood wel degelijk belangrijk, net als alle andere ‘wetenschappers’ die ik ken.

      Dat komt omdat er, in elk geval volgens atheisten, een verschil is tussen hoe de wereld IS en hoe die ZOU MOETEN ZIJN. Om over het eerste te leren, gebruiken we wetenschap; voor het tweede hebben we ethiek. “Vanuit de evolutietheorie geredeneerd, maakt het helemaal niet uit wie er leeft of sterft” klopt dus, in zoverre dat die theorie helemaal geen uitspraak doet over goed en kwaad: daar hebben we ethiek voor

      Die ethiek, zo geloof ik, komt vanuit mijzelf en niet van een hogere autoriteit. Of het daardoor een ‘relatieve ethiek is’, daar verschillen de meningen over. Als het gaat om leven en dood waarschijnlijk niet: in alle mogelijke culturen op aarde, wat ze dan ook geloven, is het doden van mensen in meer of mindere mate moreel niet in orde. Een logische verklaring zou kunnen zijn dat in de vroege menselijke evolutie in onze hersenen een mechanisme is ontstaan dat weerzin opwekt bij het (zien) doden van een medemens. Ook dat is dan een zo niet ‘absolute’, dan toch zeker ‘universele’ ethiek.

      Over het doden van dieren en dierenleed verschillen de meningen tussen culturen nogal. Dat komt ook omdat we nog steeds lang niet altijd goed kunnen zien wanneer dieren lijden – mensen geloven van alles en nog wat. Gelukkig hebben we de wetenschap om daarover in elk geval wat eensluidende feiten boven tafel te krijgen.

    3. Alex
      Posted 21 juli 2010 14:35 at 14:35 | Permalink

      Te snel op OK geklikt, bovenstaande ‘anonieme’ reactie is van mij. Alex.

    4. Richard
      Posted 24 juli 2010 16:22 at 16:22 | Permalink

      Beste Alex,

      Ik vind het heel erg leuk om met een echte wetenschapper over ethiek te discussiëren. Je schreef: “Die ethiek, zo geloof ik, komt vanuit mijzelf en niet van een hogere autoriteit.”

      Omdat de mens een vrije wil heeft, en dus altijd een zelfstandig besluit kan nemen, ben ik het met je eens. Maar in wat ik een absolute ethiek noem, meet je je eigen gedrag aan God zoals bijvoorbeeld via de tien geboden, terwijl je in relatieve ethiek, je eigen gedrag meet aan dat van je medemens, zoals bijvoorbeeld via de universele rechten van de mens.

      Verder schreef je dat het doden van een mens in meer of mindere mate als niet in orde ervaren word. Daar ben ik het niet helemaal mee eens. Ik denk namelijk dat dit alleen van de vrije wil van de mens, en de situatie afhankelijk is. Als de haat maar groot genoeg is, kunnen mensen volgens mij vreugde beleven aan het doden van hun medemens. Maar het doden van een medemens kan ook een heel overwogen en kalm besluit zijn, zoals bijvoorbeeld bij de doodstraf.

      Je schreef dat het feit dat het als niet in orde ervaren worden van het doden van een mens, een universele ethiek is. Daarvan zeg ik: het is altijd wenselijk vanuit een wetenschappelijk perspectief, om universele regels te zoeken. Maar ik denk dat juist de vrije wil van de mens, een dergelijke universele regel onmogelijk maakt. Iedereen kan op ieder moment voor zichzelf besluiten, om de ethiek die hij aanhangt te negeren. Om deze reden, denk ik dat ethiek niet iets is dat ‘in de genen’ zit.

      Bij mensen met een absolute ethiek, is er echter het besef dat er na hun dood een uiteindelijk oordeel zal zijn, terwijl dit bij mensen met alleen een relatieve ethiek niet het geval is. Dat maakt het ethische besef van gelovige mensen niet altijd beter, maar volgens mij wel anders.

    5. Alex
      Posted 28 juli 2010 23:17 at 23:17 | Permalink

      Richard,

      Ik begrijp je punt, en ben het voor deze discussie* met je eens dat een mens met zijn vrije wil (of onder dwang) kan besluiten zijn ethische gevoel te overrulen. Maar dat argument geldt op exact dezelfde manier voor elk ethisch gevoel, of dat nu is opgelegd door een god, of een gevolg is van in de vroege evolutie ontstane hersenstructuren.

      Maar ik proef een ander, veel interessanter punt. Volgens mij zeg jij dat gelovigen misschien sterker geneigd zijn zich aan hun ethiek te houden omdat ze bang zijn voor straf / hoop hebben op beloning na de dood? Daar kan ik me wel in vinden. Dat maakt hun ethiek in mijn ogen weliswaar minder puur, maar die ethiek reguleert hun ethisch GEDRAG wel effectiever. Resultaat: een samenleving waarin alle neuzen wat beter dezelfde kant op staan. Een hechter en succesvoller samenleving.

      Ziedaar een argument voor het evolueren van religieus besef in vroege mensen.

      Overigens zou ik mezelf geen ‘echte wetenschapper’ noemen: ik doe geen wetenschappelijk onderzoek. Maar, als je daar genoegen mee neemt, ik ben wel wetenschappelijk opgeleid.

      Alex

      * Want “vrije wil”, I wouldn’t touch that one with a ten foot pole.

    Schrijf iets interessants

    Je email zal nooit worden gedeeld en is niet verplicht.