Kiezen en Delen

Het anti-immigratie populisme groeit, daarvan getuigt de verkiezingsoverwinning van het Front National en de nieuwe records van de PVV in de opiniepeilingen. In de Verenigde Staten leidt Donald Trump in opiniepeilingen van de Republikeinse voorverkiezingen, ondanks (of dankzij) vergaande voorstellen tegen moslimimmigratie. Maar wie zijn de stemmers die zich zoveel zorgen maken over vluchtelingen?

Een discussie-paper dat vorige week door een vooraanstaand Duits onderzoeksinstituut werd gepubliceerd, vindt een sterke relatie tussen zorgen om immigratie en “bitterheid” in het leven. Het paper baseert zich op data van het Duitse socio-economic panel, waarin onder andere de vraag wordt gesteld “Compared to other people, I have not achieved what I deserved”. De mate van instemming met die stelling interpreteren de onderzoekers als “bitterheid”, een complexe emotie die bestaat uit een mix van boosheid en wanhoop, gevoed door het gevoel slecht behandeld te zijn door anderen of door het lot.

De auteurs laten zien dat de mate van bitterheid sterk samenhangt met “Worries about immigration”. Onder de zeer bitteren geeft 43% aan grote zorgen te hebben over immigratie, terwijl dat onder de minst bitteren 16% is. Die relatie bestaat voor zowel mannen als vrouwen van alle bevolkingsgroepen en opleidingsniveaus, in stabiele en onstabiele arbeidsrelaties en in zowel West als Oost-Duitsland. Daarnaast laten de auteurs zien dat personen die bitterder worden met de tijd, ook meer zorgen over immigratie uiten, een effect dat niet wordt gedreven door onderliggende veranderingen in inkomen.

Het feit dat het opleidingsniveau geen rol speelt doet de auteurs speculeren dat het hier niet gaat om zorgen dat immigranten competitie vormen op de arbeidsmarkt, maar eerder om “hatelijke” preferenties, waarbij mensen anderen niet het succes gunnen dat ze zelf ook niet hebben gekend.

Andere eigenschappen die met bitterheid samenhangen, zoals “life satisfaction” of het gevoel dat je de controle over je leven hebt, correleren slechts zwak met de grootte van de immigratiezorgen. Omgekeerd zijn bittere mensen ook bezorgder over bijvoorbeeld misdaad, maar de bitterheid-immigratie relatie bestaat ook voor mensen die misdaad niet als een probleem zien.

Deze resultaten geven aan dat de aantrekkingskracht van de huidige anti-populistische partijen ten minste deels geworteld is in individuele frustratie. In zoverre die frustratie economisch van aard is, blijkt dus dat de opeenvolging van een economische crisis en een vluchtelingencrisis een zeer slechte combinatie is.

De auteurs suggereren dat een “bitterheidspreventiebeleid” uitkomst kan brengen, een ogenschijnlijk onuitvoerbaar idee. In het algemeen lijkt bitterheid lijkt mij een slechte basis voor beleid, en zijn deze onderzoeksresultaten vooral een extra reden voor verzet tegen de denkbeelden van Le Pen, Trump en Wilders.