Raf De Bont

Wetenschappers met een buitenlandse achtergrond en Nederlandse wetenschappers in het buitenland kunnen als beste beschrijven hoe het is om in Nederland onderzoek te doen in vergelijking tot andere landen. Waarin is Nederland bijzonder en waar loop je zoal tegenaan? Wat zijn de voordelen van het Nederlandse wetenschapssysteem en wat is in andere landen beter? Hierbij lees je een persoonlijke column over ervaringen en overwegingen over de grenzen heen.  Het is de derde in een serie en de leden van De Jonge Akademie geven de aftrap.

De centrale vraag in het onderzoek van Raf De Bont (1977) is hoe de wetenschap de moderne samenleving heeft beïnvloed en omgekeerd. Hij kijkt dan met name naar de geschiedenis van de levens- en sociale wetenschappen in Noordwest-Europa vanaf 1800. De Bont toonde onder meer aan dat de intrede van een nieuwe wetenschappelijke werkplaats, het veldlaboratorium, cruciaal was voor het ontstaan van de ecologische wetenschap. In zijn huidige, sterk interdisciplinaire onderzoek staat de rol van de ecologische expert in internationale natuurbescherming sinds de jaren 1930 centraal.

In zijn jaren-80-hit Englishman in New York zingt Sting (onder meer) over cultuurverschillen binnen een groter taalgebied. Als Belg werkend aan een Nederlandse universiteit zijn die verschillen me niet onbekend.

Zolang ik aan de Universiteit van Leuven als historicus werkte, beschouwde ik de grens met Nederland als triviaal. De contacten met de noorderburen leken talrijk, de publicatiecultuur gelijklopend, de onderzoeksinteresses vergelijkbaar. Zoals verschillende van mijn collega’s gaf ik mijn proefschrift uit bij een Nederlandse uitgever. In mijn ogen bestond er een grensoverschrijdende onderzoeksgemeenschap. Hooguit werd vanuit het zuiden een beetje lacherig gedaan over de noordelijke gewoonte om op conferenties karnemelk en kroketten te serveren. I don’t drink coffee, I take tea my dear.

Toen ik een baan aanvaardde aan de Universiteit van Maastricht – hooguit enkele kilometers over de grens – realiseerde ik me dat de verschillen toch groter waren dan gedacht. Om te beginnen was er een verschil in wetenschappelijke benadering. Ik merkte al snel dat mijn vakgebied, de wetenschapsgeschiedenis, in Nederland nauw in contact stond met de meer sociologisch georiënteerde Science and Technology Studies. Dat was een discipline die op dat moment nauwelijks voet aan de grond had in België, terwijl die in Nederland al sterk geïnstitutionaliseerd was. Mijn Nederlandse collega’s bleken toch vaak andere zaken te hebben gelezen dan ikzelf.

Ook de academische cultuur verschilt. In Nederland verloopt de communicatie directer, en zijn tegelijkertijd de structuren hiërarchischer dan in België. Waar ik het eerste als verfrissend ervaarde, liep ik aanvankelijk aan tegen het tweede. In Nederland kan je bijvoorbeeld enkel als hoogleraar promotor zijn van promovendi, waar in België dat al kan van het niveau van universitair docent. De Jonge Akademie pleit er voor om in Nederland het promotierecht (of ius promovendi)  uit te breiden naar de categorie van universitair (hoofd)docent. Een dergelijke aanpassing zou de aantrekkingskracht van Nederland voor jonge onderzoekers zeker vergroten.

En dan zijn er de verschillen in wetenschapsfinanciering. Het FWO-Vlaanderen biedt aantrekkelijke postdoctorale beurzen die jonge onderzoekers (mogelijkerwijs voor tweemaal drie jaar) in staat stellen om full time aan hun persoonlijk onderzoek te werken. De Nederlandse tegenhanger, de vernieuwingsimpuls van het NWO, heeft een enigszins andere logica. De opbouw van de NWO-financiering is zo dat van onderzoekers wordt verondersteld dat ze gradueel een onderzoeksteam uitbouwen. Met name VIDI-beurzen maken het zo mogelijk voor mid-career wetenschappers om nieuwe thema’s op de agenda te zetten binnen hun instelling.

Uiteraard zijn er ook parallelle ontwikkelingen in de twee landen. Zowel in België als in Nederland worstelt men met de invoering van een tenure track systeem (naar Amerikaans model). In beide landen is de ‘impact’ van wetenschap een toenemend aandachtspunt en een onderwerp van discussie. In beide landen, ten slotte, wordt geklaagd over bureaucratisering, over het opdrogen van eerste-geldstromen voor wetenschappelijk onderzoek en over publicatiedruk. Jonge onderzoekers (gesteund door Jonge Akademies) doen er goed aan die grensoverschrijdende tendensen als kritische burgers in de gaten te houden en gezamenlijk hun stem te laten horen.

Ook in een globaliserend universitair bestel blijven de landsgrenzen intussen voelbaar. Aan de meeste Nederlandse gewoontes ben ik gewend geraakt. Maar die karnemelk op conferenties, dat is toch echt geen goed idee.