Nathalie Katsonis

Wetenschappers met een buitenlandse achtergrond en Nederlandse wetenschappers in het buitenland kunnen als beste beschrijven hoe het is om in Nederland onderzoek te doen in vergelijking tot andere landen. Waarin is Nederland bijzonder en waar loop je zoal tegenaan? Wat zijn de voordelen van het Nederlandse wetenschapssysteem en wat is in andere landen beter? Hierbij lees je een persoonlijke column over ervaringen en overwegingen over de grenzen heen.  Het is de tweede in een serie en de leden van De Jonge Akademie geven de aftrap.

Dr. Nathalie Katsonis is universitair docent Biogeïnspireerde en slimme materialen, Universiteit Twente. Nathalie (1978) richt zich op het ontwikkelen van slimme nieuwe materialen die in structuur en functie geïnspireerd zijn door de biologie. Zo onderzoekt haar team materialen waarin de mechanische bewegingen van planten worden nagebootst. Als succesvolle vrouwelijke onderzoeker met diverse Nature-publicaties op haar naam zet zij zich tijdens de Women in Chemistry –dag in door jonge vrouwen in haar vakgebied aan te moedigen. Ze maakt zich sterk voor goede publieksvoorlichting, met name over nanotechnologie, om het maatschappelijk draagvlak en het enthousiasme voor wetenschappelijk onderzoek te vergroten. 

Voor het eerst maakte ik kennis met de Nederlandse wetenschap bij toeval, zoals goede dingen meestal gebeuren. Tien jaar geleden bezocht Ben Feringa Parijs voor een werkweek met zijn groep en na mijn presentatie bood hij mij een postdoc-positie aan. Nog steeds maak ik grapjes met ex-collega’s over dit moment, omdat ik oorspronkelijk dacht dat Ben een postdoc was. In Frankrijk gedragen professoren zich meestal heel erg formeel. Ik accepteerde deze positie op instinct, omdat ik de easy-going, enthousiaste en internationaal georiënteerde houding erg waardeerde. In wetenschap is het ook zo dat je soms instinctief weet dat iets een goed idee is, maar nog niet kunt aangeven waarom. Als wetenschapper kreeg ik veel vrijheid om creatief te zijn. Ik herinner me de besprekingen met andere postdocs op zondag in het lab, te veel koffie drinken en praten over moleculaire motors, supramoleculaire chemie en nanotechnologie, bedenkend dat het goed voelt om een onderzoeker te zijn! Een aantal jaren later is mij een positie aangeboden in Toulouse als hoofdonderzoeker voor CNRS, het Franse Instituut voor Wetenschappelijke Onderzoek. Het was een goede positie, maar als je eenmaal intellectuele vrijheid hebt geproefd in jouw onderzoek, dan wil je deze niet meer kwijt.

Mijn eerste post-doc positie binnen Nederland was niet geheel een bewuste keuze, maar het was wel mijn keus om terug te komen en te blijven. Ik houd van de inspiratie, de internationale mindset en de uitdagende atmosfeer die meestal vriendelijk en constructief is. Ik heb ook veel profijt gehad van het NWO Vernieuwingsimpuls programma via de veni- en vidi-beurzen. In Frankrijk krijgt een junior onderzoeker meestal minder mogelijkheden om onafhankelijk te worden. Gewoonlijk hangt het af van het hoofd van het lab of je financiering tot je beschikking krijgt, omdat financiering eigenlijk alleen via de eerste geldstroom loopt. Het maakt je situatie veiliger en het bespaart je een substantiële hoeveelheid tijd, die we hieronder soms verliezen aan zorgen over financiering of over ons aanstelling, vooral die, die een tenure-track positie hebben. Maar aan de andere kant krijg je in Nederland meer verantwoordelijkheden, meer mogelijkheden, en uiteindelijk is het werk meer spannend, en lonend. Ik vind het ook goed dat de vernieuwingsimpuls je de mogelijkheid geeft om onderzoek te doen op het onderwerp van je keuze, ‘ongebonden vrij onderzoek’. Het geeft een bijzonder gevoel wanneer je wetenschappelijke omgeving je toevertrouwt om je eigen ideeën te ontwikkelen. Wanneer je jong bent en je eigen onderzoek begint, zullen deze ideeën waarschijnlijk niet meteen al in de richting gaan van ‘zwaartekracht’ onderzoek. Ik kreeg veel intellectuele vrijheid in Frankrijk, maar zonder toegewezen financiering is het veel zwaarder om een nieuwe onderzoekslijn te starten. Tot slot waardeer ik ook erg de manier waarop NWO beurzen worden toegekend. De kandidaten krijgen de kans om een weerlegging te schrijven op het commentaar van de reviewers. De evaluatiecommissie neemt deze weerlegging mee in zijn beoordeling. Zover ik weet is dit proces erg specifiek voor Nederland. Het maakt evaluaties eerlijker.

In het kleine Nederland heerst de spirit om te gaan voor uitdagingen en groot te denken. Ik denk dat dit is waarom dit land zo innovatief en succesvol is in onderzoek. Wel moet je je over sommige recente ontwikkelingen in het Nederlandse wetenschapsbeleid zorgen maken. Wetenschapsfinanciering is niet meer zo ambitieus als zij ooit is geweest en het gedeelte daarbinnen wat is bestemd voor ongebonden onderzoek, gaat naar beneden. Deze zorgen hebben we vanuit De Jonge Akademie kenbaar gemaakt. Financiering is zuurstof voor de wetenschapper: te veel zal niet goed zijn, maar wanneer het niveau daalt naar een kritiek laag niveau, gaan onze organen disfunctioneren en gaan de resultaten omlaag. Dat gezegd hebbende, de Nederlanders hebben heel vaak bewezen dat zij niet bang zijn om groot te denken, buiten hun eigen grenzen en buiten hun eigen disciplines, en ik heb veel geloof in de toekomst van de Nederlandse wetenschap.