ProfessorsAcademicDress

Deze week was het weer raak met het treurige nieuws dat de mars van vrouwen naar de top tergend langzaam verloopt. In 2014 bestond slechts 20,9% van de top van het bedrijfsleven uit vrouwen. Wat echter minder aandacht krijgt, is dat het in de universitaire wereld zo mogelijk nog slechter gesteld is: In 2012 studeerden weliswaar meer vrouwen dan mannen af aan de Nederlandse universiteiten, het aandeel vrouwelijke hoogleraren was in dat jaar een schamele 15,7%. Een vaak gehoorde tegenwerping van dit soort nieuws is dat vrouwen simpelweg niet zouden willen of zichzelf ondergeschikt maken. Dat is ongetwijfeld waar voor een deel van de vrouwen (en mannen overigens) maar zolang de vrouwen die wél willen nog steeds te maken hebben met een dubbele moraal en impliciete achterstelling, moeten we dat eerst maar eens oplossen. De universitaire wereld zou daarin een voortrekkersrol moeten spelen in plaats van het nog slechter doen dan het bedrijfsleven.

Een van de manieren op dit te doen, is kennis te nemen van onderzoeksresultaten uit eigen gelederen zoals de volgende studie. Aan een openbare universiteit in North Carolina in de Verenigde Staten kreeg de helft van 43 studenten die een online vak volgden, te horen dat hun docent een man was en de andere helft dat de cursus werd verzorgt door een vrouw. Binnen deze twee groepen was er echter nóg een onderscheid, de helft van de studenten die dachten een mannelijke docent te hebben, kregen in werkelijkheid les van een vrouw en v.v. in de andere groep. Aan het einde van de cursus werden de studenten gevraagd om hun docent te beoordelen op twaalf verschillende eigenschappen. De studenten beoordeelden de ‘mannelijke docent’ hoger op alle punten, terwijl in de helft van de gevallen de docent in werkelijkheid een vrouw was. De docent waarvan de studenten dachten dat het een vrouw was, kreeg als cijfer (van 1-5) een 3,55 en de docent waarvan de studenten dachten dat het een man was een 4,35. Weer geldt dat in slechts de helft van de gevallen de docent daadwerkelijk de veronderstelde sekse had.

Er valt natuurlijk best het een en ander af te dingen aan deze resultaten. Zo is een online vak in de Verenigde Staten niet representatief voor universitair onderwijs in het algemeen en is de groep proefpersonen klein. Echter ook in mijn eigen vakgroep hier in Nederland is het al jaren zo dat de vrouwen standaard lagere onderwijsbeoordelingen krijgen van studenten (zowel vrouwelijke als mannelijke) dan de mannelijke collega’s. Meer in het algemeen blijken studenten hun mannelijke docenten stelselmatig een hogere status toe te kennen (‘professor’) en hun vrouwelijke docenten een lagere (‘docent’).

Het zijn niet alleen onderwijsbeoordelingen waar vrouwen aan het kortste eind trekken, ook onderzoek wordt vaak lager beoordeeld als het door een vrouw uitgevoerd is. Pas geleden was er een heuse rel toen twee vrouwelijke auteurs van een artikel over, jawel sekse-ongelijkheid in het hoger onderwijs van een reviewer (een collega die ingezonden artikelen beoordeeld voor publicatie) de suggestie kregen om tenminste één mannelijke collega aan het onderzoek te voegen om ervoor te zorgen dat de data wel correct geïnterpreteerd zou worden maar het is lang niet altijd zo expliciet. Toen het wetenschappelijke tijdschrift Behavioural Ecology in 2001 een zogenaamd dubbelblind beoordelingsproces introduceerde waarbij de sekse van de auteurs van ingediende artikelen niet langer bekend was bij de reviewers, steeg het aantal geplaatste artikelen met een vrouwelijke eerste auteur met 8%. Een paar jaar eerder, in 1997 bleek uit een onderzoek al dat de beoordeling van de wetenschappelijke competentie van vrouwelijke onderzoekers door collega’s veel slechter was dan die van vergelijkbare mannen. Sterker nog, de absolute toppers, met de hoogst mogelijke wetenschappelijke impact (gemeten naar het aantal publicaties en de invloed van die publicaties) werden ongeveer gelijk beoordeeld als hun mannelijke collega’s die ónder het gemiddelde presteerden.

Zijn er inmiddels dingen verbeterd? Misschien, maar de studenten die vrouwelijke collega’s nog steeds lager beoordelen dan mannen zijn hooguit begin twintig en in het onderzoek met de verwisselde sekse van docenten, was de meest voorkomende leeftijd 21 jaar. Dit zijn dus jonge mensen waarvan je eigenlijk zou verwachten dat ze minder vatbaar zijn voor traditionele man-vrouw patronen. En de universiteiten zelf, wat doen die er eigenlijk aan om Nederland uit de onderste regionen van de internationale ranglijsten wat betreft vrouwelijk talent in de wetenschap te krijgen? Van de veertien Nederlandse Universiteiten, lijkt het er na een korte en niet-uitputtende internet-zoektocht op dat zes een diversiteitbeleid met daarin specifiek aandacht voor vrouwen hebben. Twee daarvan bieden speciale financiële ondersteuning voor vrouwelijk talent (Rijksuniversiteit Groningen en de Technische Universiteit Delft). De Universiteit Twente publiceerde én haalde in 2014 haar streefcijfers voor het aantal vrouwelijke hoogleraren en vrouwen in topfuncties en verdiende daarvoor een pluim van de commissie Talent naar de Top. De meeste (maar niet alle) universiteiten hebben ook diens Charter Talent naar de Top ondertekend, de meeste zelfs al voor 2009. Sindsdien is het aantal vrouwelijke hoogleraren met enkele procenten gestegen.

Kortom er is beweging maar ook of misschien wel juist in de academische wereld gaat de weg van vrouwen naar de top bijzonder langzaam. Daarom, lieve mannen en vrouwen die de komende jaren gaan beslissen over sollicitaties en promoties binnen de Nederlandse Universiteiten: Neem een voortrekkersrol, beoordeel zogenaamde ‘harde prestatie-indicatoren’ zoals onderwijsevaluaties en aantallen publicaties met de bewezen sekseongelijkheid in uw achterhoofd en benut het vrouwelijke talent!