20140930_081149

Het krijgen van een kind is machtig interessant. Niet alleen omdat ik bioloog ben, of omdat mijn kind van een hulpeloos mormeltje in een jaar geworden is tot een klein mensje dat (bijna) loopt, soort-van-praat en een sterke eigen wil heeft. Ook borstvoeding is zo’n wonder. Mensen zijn zoogdieren, en dus zogen wij onze kinderen met moedermelk die precies afgesteld is op de behoeftes van onze zuigelingen. Mooi toch? Maar het gaat helaas niet bij iedereen zo makkelijk. En waar over opvoeding valt te twisten en er meerdere wegen naar Rome zijn, gaan vrouwen werkelijk met elkaar op de vuist als het over borstvoeding gaat. Waarom is dit zo’n emotioneel onderwerp?

Als borstvoedende bioloog las ik veel blogs van voedende moeders en lactatiekundigen en mengde ik me (soms tegen beter weten in) in het debat. Maar altijd knaagde er iets aan me. Ik miste wat. En nu weet ik wat: twee dingen. De wetenschap en de werkelijkheid. Over allebei heb ik een blog geschreven. Voor sciencepalooza natuurlijk over de wetenschap. Over de werkelijkheid in het debat over borstvoeding schreef ik hier.

De wetenschap achter ‘borstvoeding is beter’
Voorstanders van borstvoeding zeggen dat moedermelk beter is voor de gezondheid van je kind. Dat moedermelk afweerstoffen bevat en je kind beschermt tegen astma, allergieën en obesitas (zoals het voedingscentrum). Maar waarom beschermt flesvoeding niet tegen deze kwaaltjes? Het antwoord hierop wordt pas de afgelopen decennia een beetje duidelijk. Het is nog niet zo lang mogelijk om precies te bepalen wat er in moedermelk zit (heel veel, zie hier).

De hoofdbestanddelen van melk (koemelk en moedermelk) zijn eiwitten, vetten en (melk)suikers, met daarnaast extra stoffen als vitaminen en mineralen. Vooral die (melk)suikers hebben de laatste tijd steeds meer aandacht gekregen. Het blijkt namelijk dat in moedermelk véél meer en veel meer verschillende soorten suikers zitten dan in koemelk. Deze suikers (oligosachariden) kunnen nog niet zo lang aangetoond worden, en er worden nog steeds nieuwe ontdekt (zie hier). Een aantal van deze oligosachariden worden sinds een jaar of 15 ook industrieel geproduceerd en toegevoegd aan flesvoeding (voornamelijk de zogenaamde galacto-oligosachariden). Maar de variatie in deze galacto-oligosachariden is slechts een fractie van de variatie die in moedermelk te vinden is. Op dit gebied haalt de industrie het bij lange na niet van de diversiteit die moeder natuur te bieden heeft.

Bijzondere suikers en bacteriën
Die bijzondere suikers in moedermelk hebben invloed op de bacteriën in de darmen van baby’s. Wij, volwassenen, dragen twee kilo bacteriën bij ons in onze darmen. Deze bacteriën zijn noodzakelijk voor een goede voedselvertering en gezondheid (lees hierover meer in Allemaal Beestjes). Baby’s hebben bij hun geboorte (bijna) geen bacteriën in hun darmen, maar snel daarna worden ook hun darmen bevolkt door allerlei soorten. Goede en slechte. Juist de goede bacteriën gebruiken de oligosachariden uit borstvoeding om op te groeien. Baby’s die borstvoeding krijgen hebben dan ook meer van deze bacteriën in hun darmen dan baby’s die flesvoeding krijgen (artikel). Deze bacteriën doen van alles in het lichaam: ze stimuleren het immuunsysteem, zorgen voor een betere voedselvertering en zorgen ervoor dat slechte bacteriën geen kans krijgen. Dit is waarschijnlijk de oorzaak voor de gezondheidsvoordelen van borstvoeding. Waarschijnlijk, want hierover is het laatste woord nog niet gezegd.

‘Nadelen’ van flesvoeding?
Want hoe groot zijn de gezondheidsverschillen tussen borstvoeding en flesvoeding eigenlijk? Het is natuurlijk niet zo dat alle baby’s die géén borstvoeding hebben gehad later dikke, astmatische allergische volwassenen worden. En hoe bestudeer je dat precies? Het onderzoek naar de verschillen tussen borstvoeding en flesvoeding is namelijk niet zo makkelijk. Als wetenschapper zou je het liefst een groep baby’s borstvoeding geven en een andere groep flesvoeding, en die kinderen dan de rest van hun leven volgen. Maar je kunt je voorstellen dat dit soort “randomized controlled trials” met baby’s niet toegestaan zijn. Onderzoeken worden dus altijd gedaan met kinderen waarvan de ouders zelf kiezen voor borstvoeding of flesvoeding. Dan ontstaan er automatisch (grote) verschillen in de onderzoeksgroepen. Ouders die borstvoeding geven maken vaak ook andere keuzes in opvoeding dan ouders die flesvoeding geven. Kortom, je onderzoek wordt een stuk lastiger.

flesjeIQ en borstvoeding

Een recent onderzoek liet zien dat baby´s die borstvoeding hebben gekregen een hoger IQ zouden hebben, en later meer zouden verdienen. Dit deed veel stof opwaaien, maar het duurde slechts enkele dagen voordat andere onderzoekers grote problemen in de onderzoeksopzet vonden (zoals hier en hier te lezen). Ook hier ligt het aan de verschillen die er nou eenmaal zijn tussen ouders, opvoeding en voedingsgewoontes (zie ook hier).

Omdat het onderzoek zo lastig is, worden er ook veel zwakke en tegenstrijdige resultaten gevonden. Naast ieder onderzoek dat bewijst dat flesvoeding slechter is, staat er wel een waarin geen verschillen worden gevonden. Daarom doen onderzoekers vaak ‘meta-analyses’: het bij elkaar nemen van veel verschillende onderzoeken naar één vraag, en kijken wat het uiteindelijke effect is. Een aantal dergelijke studies laat zien dat kinderen die flesvoeding hebben gekregen iets vaker astma, diabetes of obesitas ontwikkelen. Iets vaker. Niet heel vaak.

Flexibiliteit van het lichaam
Het menselijk lichaam is dus behoorlijk flexibel en vindt wel een manier om zich aan te passen. Dus met baby’s die flesvoeding krijgen, komt het gewoon wel goed. Ook met die darmen. Als je de darmbacteriën van kinderen van 2 jaar oud met elkaar vergelijkt, is niet meer te zien wie als baby flesvoeding en wie borstvoeding gekregen heeft. Maar op jongere leeftijd zijn er dus wél verschillen en die kunnen best invloed hebben op de gezondheid later in het leven.

Kortom: het is ten eerste allemaal niet zo zwart/wit en ten tweede nog niet helemaal duidelijk. Waar pro-borstvoedingsadvocaten roepen dat ‘borstvoeding het beste voor je kindje is’ en soms flesvoeding bijna als gif zien, is het nog maar te betwijfelen of de verschillend echt zo groot zijn. Aan de andere kant staat veel onderzoek nog behoorlijk in de kinderschoenen, is nog niet eens exact bekend wat voor bijzondere stoffen er allemaal in moedermelk zitten, en wat het effect van elk stofje is op de gezondheid van ons nageslacht. Misschien zijn de verschillen juist wel groter dan we denken…