Kiezen en Delen

Geduld is een schone zaak. Het is zowel een goede karaktereigenschap, als een belangrijke kracht achter duurzame economische groei en vruchtbare investeringen. Zowel mensen als culturen verschillen sterk in de mate van geduld. Een ambitieus nieuw onderzoek biedt een verassend perspectief op de oorsprong van deze verschillen: geduld komt uit de bodem. Mensen in gebieden die meer dan 500 jaar geleden betere oogsten opleverden, zijn vandaag gemiddeld geduldiger.

De theorie is eenvoudig: stel dat mensen kunnen kiezen tussen twee strategieën om voedsel te zoeken: een eerste die snel voedsel oplevert, zoals jagen en plukken, en een tweede waarvoor meer geduld nodig is, namelijk landbouw bedrijven. Als landbouwgewassen meer opleveren, zullen de boeren relatief succesvoller zijn en zich sneller voortplanten. Hun geduldige genen nemen daardoor toe in de populatie.

Het heroïsche deel van het onderzoek zit hem in de empirische validitie, die een goede 100 paginas in beslag neemt. Als maat voor geduld gebruiken de onderzoekers data over “lange-termijnoriëntatie” van de Nederlandse antropoloog Geert Hofstede. Die maatstaf is gebaseerd op een groot aantal variabelen, zoals antwoorden op enquêtevragen over het belang van de toekomst en economische variabelen zoals de spaarquote en investeringen in onroerend goed. Vooral Aziatische landen scoren hoog op deze maatstaf, terwijl Europa (en Nederland) in het midden liggen.

Inderdaad vinden de onderzoekers een verband tussen de geduldmaat en de kwaliteit van de historische oogsten meer dan 500 jaar geleden. Een correlatie is echter niet genoeg voor causaliteit want er zijn allerlei verbanden mogelijk: wellicht vinden geduldiger mensen betere gewassen uit, of verhuizen geduldiger mensen naar gebieden met succesvollere landbouw.

De auteurs maken daarom slim gebruik van een aantal historische variaties in de oogst die niet afhangen van menselijk handelen. Ten eerste gebruiken ze variaties in klimaat en regenval om de potiëntele caloriewaarde van de oogst voor elk gebied te berekenen. Ten tweede kijken ze naar de invloed van ‘de Columbiaanse uitwisseling’, de uitwisseling van gewassen tussen Europa en Amerika die plaatsvond na de ontdekkingsreizen van Columbus. Deze uitwisseling verhoogde oogsten in sommige gebieden sterker dan in andere en dat effect is vandaag nog meetbaar in de lange-termijnoriëntatie.

Ten derde kijken de auteurs naar de tijdpreferenties van tweede generatie immigranten. Die immigranten zullen nog grotendeels het erfelijk materiaal van hun thuisland bezitten, en het verschil met de oorspronkelijke bevolking helpt het onderscheid te maken tussen culturele en genetische variabelen. Zo leidt bijvoorbeeld een verschuiving van een standaarddeviatie in de oogst in het thuisland van de moeder van een immigrant tot een zes procentpunten hogere lange-termijnoriëntatie, en dus tot meer spaargedrag en een hoger opleidingsniveau.

De conclusie is dus dat als Japanners kampioen sparen zijn, en Nigerianen bij de dag leven, hun voorouders waarschijnlijk op die manier het meeste voedsel vergaarden. Natuurlijk zijn er heel veel andere factoren die geduld beïnvloeden, maar toch is het een mooie illustratie hoe ons karakter wordt bepaald door de condities waarin onze voorouders leefden.