Kiezen en Delen

De Griekse verkiezingen en de voortslepende Eurocrisis tonen aan hoezeer de eurozone op zoek is naar een sociaal contract: een samenwerkingsvorm met heldere regels die door iedereen worden geaccepteerd. Een economisch experiment laat zien hoe we de huidige crisis in ieder geval niet moeten aanpakken.

In het zogenaamde public good- experiment krijgt iedere deelnemer een hoeveelheid geld die hij ofwel in zijn eigen privéproject, ofwel in een groepsproject kan investeren. Het groepsproject levert winst op voor de hele groep, en de totale groepsopbrengst is maximaal als alle deelnemers samenwerken en al hun geld in het groepsproject stoppen.

Het dilemma is dat het privéproject een hogere opbrengst genereert voor de proefpersoon zelf. De hoogste winst behaalt hij dus door alleen in zijn eigen project te investeren en daarnaast te profiteren van de groepsinvesteringen van anderen. De uitkomst van dit experiment is dat na een paar spelronden met zulke freeriders ook de goedwillende spelers het opgeven. De groepsinvesteringen worden steeds lager, om uiteindelijk helemaal te verdwijnen.

Het invoeren van straffen tijdens het experiment biedt een oplossing voor deze treurige uitkomst. Als deelnemers een klein bedrag kunnen inzetten om de free-riders een deel van hun winst te ontnemen, ontstaat er al snel een impliciet `sociaal contract’ van hoge groepsinvesteringen, gecombineerd met straffen voor de free-riders.

Deze vorm van samenwerking lijkt op de benadering van een deel van het Noord-Europese electoraat dat, gestimuleerd door populisten in verschillende landen, de schuld van de Eurocrisis legt bij de corrupte en luie Grieken, of zuiderlingen in het algemeen. Bij die schuld hoort een straf zoals het doorvoeren van zware bezuinigingsmaatregelen. Zo zal iedereen zich in de toekomst wel twee keer bedenken om zich niet aan de afspraken te houden.

Dat klinkt aannemelijk, maar helaas blijkt bij terugkeer in het laboratorium dat als de condities niet ideaal zijn, straffen makkelijk tot perverse uitkomsten kunnen leiden. Ten eerste kosten straffen geld voor zowel de bestrafte als de bestraffer. Een deel van de behaalde groepswinst gaat zo verloren aan het uitdelen en incasseren van straffen.

Een belangrijker probleem is dat de emoties die met straffen samengaan moeilijk in de hand te houden zijn. Sommige deelnemers vinden straffen zo leuk dat ze het teveel doen, ook wanneer de schuld dubieus is. In een recente versie van het public good experiment was de publieke bijdrage van de deelnemers niet altijd correct zichtbaar voor anderen. Ondanks deze onzekerheid nam het straffen toe, en werden daarbij soms de verkeerden gestraft. Dat bleek funest voor de samenwerking: degenen die zich onterecht bestraft voelden weigerden nog verder samen te werken en straften zelf soms weer anderen.

Ook in een variant van het experiment waarin bestraften konden ‘terug-straffen’, verzandde de samenwerking in wederzijdse wraakacties. De uiteindelijke opbrengsten in deze twee experimentele condities waren zelfs lager dan in een conditie waarin straffen überhaupt niet mogelijk was.

Deze kleine laboratoriumtragedies bevatten een waarschuwing voor de politici van de eurozone. Straffen zijn belangrijk voor een succesvolle samenwerking op lange termijn, maar vereisen duidelijke regels en een transparante handhaving. Op de korte termijn, waarin de Griekse crisis moet worden opgelost, ontbreken deze condities. Een moralisering van het probleem -een interpretatie van de crisis in termen van schuld en boete- is wellicht makkelijke politiek, maar leidt ons slechts verder weg van een sociaal contract.