Kiezen en Delen

Na de aanslagen in Frankrijk, domineert de radicalisatie van Westerse moslims wederom het publieke debat. Sociale wetenschappers debatteren verwoed over de oorzaken van radicalisatie en de effectieve bestrijding ervan. Onwaarschijnlijk of niet, ook economen houden zich bezig met de verspreiding van extreme politieke of religieuze denkbeelden. Of in economenjargon: hoe elastisch is de vraag naar (extremistische) ideologie?

Al in de 17e eeuw opperde de Franse filosoof en wiskundige Blaise Pascal een kosten-baten afweging als basis voor geloof in God. Hij argumenteerde dat de lage praktische kosten (af en toe een uurtje naar de kerk) niet opwegen tegen de mogelijke opbrengsten (een oneindig lang verblijf in de hemel). Deze logica is de inspiratie voor twee recente experimenten, die extremistische denkbeelden op de proef stellen door de kosten ervan te variëren.

In een tot nu toe ongepubliceerde studie onderzochten Amerikaanse gedragseconomen leden van de sekte “Family Radio”, die geloofden in de voorspelling dat in mei 2011 de wereld tot een eind zou komen. Een week voor de Apocalyps benaderden de onderzoekers de sekteleden met de vraag of ze liever 5 dollar direct kregen, of een cheque variërend van 5 tot 500 dollar, waarbij ook de uitbetalingskans werd gevarieerd. Helaas voor de sekteleden was de cheque pas te innen was nadat de wereld zou zijn vergaan, en dus waardeloos voor de echte gelovige.

In een controlegroep van 7de dag adventisten (die de Apocalyps niet op korte termijn op de agenda hadden staan) kozen alle deelnemers voor een cheque van voldoende waarde, ongeacht de uitbetalingskans. Van de 23 onderzochte sekteleden daarentegen was zelfs bij een hoge uitbetalingskans slechts ééntje bereid de maximale cheque van 500 dollar te accepteren.

In dit geval was de verleiding van financieel gewin dus zwakker dan het geloof van de sekteleden, hoewel het een open vraag is of de onderzoekers met hogere cheques meer succes hadden gehad. Hoewel ze hun keuzes privé maakten, werden de proefpersonen mogelijkerwijs ook afgeschrikt door het feit dat ze openlijk meededen aan een experiment.

Een tweede studie uit 2014 gebruikt een subtielere benadering. Om de effecten van financiële prikkels op uitingen van anti-Amerikanisme in Pakistan te onderzoeken werd aan (mannelijke) deelnemers gevraagd om een vragenlijst in te vullen. Aan het eind konden ze een bonus verdienen door een hokje aan te kruisen dat de financiers van het onderzoek bedankte voor hun generositeit. De onderzoekers varieerden de identiteit van de financiers (de Amerikaanse overheid of de Pakistaanse universiteit) en de grootte van de bonus (van 100 tot 500 Rupis – 500 Rupis is een gemiddeld Pakistaans dagsalaris).

Het aantal proefpersonen dat bereid is hun bonus mis te lopen door te weigeren de Amerikaanse overheid te bedanken, is een maat voor anti-Amerikanisme. In tegenstelling tot de vorige studie, bleek hier de grootte van de bonus wel een grote invloed the hebben. Terwijl een kwart van de deelnemers niet bereid was Amerikanen te bedanken voor 100 Rupis, weigerde slechts 10% voor 500 Rupis. De auteurs interpreteren dit als een “dalende vraagcurve voor ideologische expressie”.

Door hun tegengestelde resultaten maken deze twee experimenten vooral duidelijk dat we nog weinig weten van de vraag naar ideologie. De Pakistaanse studie laat bovendien zien dat de sociale context minstens zo belangrijk is als de financiële: als anderen het anti-Amerikaanse kruisje konden observeren, paste de radicale minderheid zich aan de gematigde meerderheid aan, en weigerde slechts een heel kleine minderheid de 500 Rupis.

Sociale wetenschappers, economen incluis, hebben nog een lange weg te gaan om radicalisering te begrijpen, laat staan effectief te bestrijden.