Chritian Lange

Wetenschappers met een buitenlandse achtergrond en Nederlandse wetenschappers in het buitenland kunnen als beste beschrijven hoe het is om in Nederland onderzoek te doen in vergelijking tot andere landen. Waarin is Nederland bijzonder en waar loop je zoal tegenaan? Wat zijn de voordelen van het Nederlandse wetenschapssysteem en wat is in andere landen beter? Hierbij lees je een persoonlijke column over ervaringen en overwegingen over de grenzen heen.  Het is de eerste in een serie en de leden van De Jonge Akademie geven de aftrap.

Prof. dr. Christian Lange is hoogleraar Arabische en Islamitische Studies, Universiteit Utrecht en behoort internationaal tot de meest vooraanstaande onderzoekers van een nieuwe generatie islamwetenschappers. Na zijn promotie in Harvard was hij docent Islamologie op Harvard University en Edinburgh University. Zwaartepunt in zijn onderzoek zijn de grote thema’s in de islamwetenschappen zoals rechtstheorieën (o.a. straf) en voorstellingen van het hiernamaals. 

Het is goed gegaan met mij in de Nederlandse wetenschapswereld. Vanaf 2011, toen ik vanuit een Lecturer-positie in Edinburgh naar Utrecht kwam, heb ik een prachtige baan als hoogleraar op één van de grote Nederlandse universiteiten. Dankzij een Europese beurs mocht ik een team van innovatieve wetenschappers verzamelen, met wie ik boeiend onderzoek doe naar de historische en intellectuele grondlagen van de islam. In 2014 werd ik tot lid van de Jonge Akademie van de KNAW verkozen. Maar als ik mijn situatie vergelijk met de omstandigheden waarin buitenlandse collega’s werken, met name in de geesteswetenschappen en de filologie, is het resultaat een mixed bag.

Hoogleraar had ik ook in Edinburgh kunnen worden, wat trouwens een heel fijne stad is (het “Athene van het noorden,” minus het licht). Mijn redenen om naar Nederland te komen waren deels persoonlijk, maar Nederland had ook een zekere wetenschappelijke aantrekkingskracht. In het verleden bestond er namelijk een belangrijke, gelauwerde traditie in de studie van de islam. Dat het hedendaagse Nederland niet meer een toonaangevende natie op het gebied van het islamonderzoek is, was mij al vóór mijn komst bekend — hoewel ik de crisis van de Nederlandse islamwetenschap misschien onderschatte. In de afgelopen jaren zijn opleidingen gesloten of deels gesloten, en expertise, vooral op het gebied van basisonderzoek en talen, verwatert aanzienlijk. Hoe dan ook, ik kwam met veel enthousiasme naar Nederland, en dit enthousiasme heb ik nog steeds.

Echter, als je als geesteswetenschapper in het buitenland zit en de keuze hebt tussen een vaste baan als Reader of Professor in Groot-Brittannië (of een tenure-track of tenured baan in de V.S.) en een hoogleraarschap in Nederland (laat staan een UD- of UHD-schap), dan zijn er momenteel goede redenen om in het buitenland te blijven zitten. Als gevolg van de reorganisaties die de geesteswetenschappelijke faculteiten in Nederland hebben doorlopen (en aan het doorlopen zijn, nu bijvoorbeeld in Groningen) worden mensen gedwongen ontslagen. Ontslag hoort bij het leven, maar wetenschappers gaan in hun beroepskeuze sowieso al een hoog risico aan: denk bijvoorbeeld aan hoe lang het duurt om te promoveren, aan de relatief lage salarissen, aan de moordende competitie om een baan te krijgen. Daarentegen lijkt ontslag van een Professor in Groot-Brittanië, een tenured Professor in de VS, of een Duitse Lehrstuhlinhaberop het moment ondenkbaar.

Met name in Duitsland is de wetenschappelijke en materiële onafhankelijkheid van het vaste academische personeel, zeker in mijn vakgebied, een hoge prioriteit: het waarborgt een kritische kijk op dominante maatschappelijke discoursen. Het nieuws dat men in Nederland daar op een andere manier over denkt is volgens mij inmiddels naar het buitenland doorgedrongen. De onlangs door het kabinet voorgestelde Wetenschapsvisie 2025, waarin de geesteswetenschappen nauwelijks genoemd worden, maakt Nederland voor buitenlandse geesteswetenschappers daarbij niet aantrekkelijker, integendeel.

Ik zeg niet dat het met het geesteswetenschappelijke personeel in Nederland slecht gaat. Echter, in een vergelijkend perspectief zullen internationale topwetenschappers vermoedelijk minder drang voelen om naar Nederland te komen dan men misschien nog steeds geneigd is om te denken. Ook op de werkvloer worden trouwens de structurele problemen waarover ik het heb zelden besproken: juist de dagelijkse uitdagingen van het academische bedrijf staan centraal. Als buitenlander die naar Nederland komt duurt het even tot men gewend is aan de innovatiewoede in de Nederlandse wetenschapswereld.

Tijdens de vier jaren die ik meedraai heb ik twee verhuizingen van mijn departement, een reorganisatie, een onderwijsvisitatie, een onderzoeksvisitatie, een volledige herziening van het BA-curriculum en significante herzieningen van onze Masteropleidingen meegemaakt en medegeorganiseerd. Maar wat we echt nodig hebben zijn duurzame structuren die jonge en ook oudere wetenschappers een materieel en intellectueel perspectief bieden, zoals promotiebanen uit de eerste geldstroom (wat mij betreft graag zonder de promotiebonus) of een goed tenure-trackbeleid, zodat het potentieel van de Nederlandse wetenschap op een optimale manier benut kan worden. Anders moet ik mensen aanraden om naar Edinburgh te gaan, ook al is het daar donker.