graduate-150374_640

Het begint een beetje een cliché te worden: Nederlandse universiteiten willen en moeten steeds meer op Amerikaanse gaan lijken. Het moet allemaal excellenter, internationaler en sneller net als grote voorbeelden als Harvard, Princeton en Stanford. Maar welke delen van het Amerikaanse universiteitssysteem moeten we dan overnemen en welke liever niet?

Ik heb sinds ongeveer een jaar het privilege om mij in het Amerikaanse hogere onderwijs te begeven. Als postdoctoraal onderzoeker met een onderzoeksbeurs van NWO geniet ik dagelijks op Stanford van de inspirerende en innovatieve omgeving. En ja, ik denk zeker dat Nederlandse universiteiten baat kunnen hebben bij een aantal facetten van dit academische klimaat. Andere dingen kunnen we naar mijn mening juist beter behouden: Amerikanen kunnen zeker ook van ons leren!

Kwaliteit versus kwantiteit

Toen ik tijdens mijn promotie een paar maanden in het Engelse Cambridge door mocht brengen kwam ik tijdens een lunch in gesprek met een professor. Hij vroeg zich af wat ik van het Nederlandse promotietraject vond, en dan voornamelijk de persistente publicatiedruk. Hij drukte me met mijn neus op de feiten: een Nederlands proefschrift in mijn onderzoeksgebied dient vier onafhankelijke experimenten te bevatten, waarvan het liefst twee gepubliceerd in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Iets wat voor mij volstrekt normaal was – artikelen publiceren was het doel van mijn promotie – werd ineens door deze professor in twijfel getrokken. En terecht.

Cambridge

Dit gesprek liet me niet los. In Cambridge, waar de wijsheid je door de smalle middeleeuwse straatjes toe lijkt te komen, wordt een promotietraject van drie jaar nog steeds vaak afgesloten zonder internationale publicatie. De promovendus dient in plaats daarvan zich het wetenschappelijke traject eigen te maken: een vernieuwend experiment bedenken, hypotheses en vraagstellingen opstellen, het experiment uitvoeren en uiteindelijk de data analyseren, interpreteren en beargumenteren. Liever dat dit tot blijk van academische denkwijze (het proefschrift) leidt dan tot een haastige publicatie in een “mooi” tijdschrift. Dat kan immers altijd nog.

In Nederland ligt de focus vaak op een proefschrift dat weinig meer is dan een collectie van wetenschappelijke artikelen. Deze Cambridge-professor vond onze proefschriften dan ook enigszins oppervlakkig en ik moet zeggen dat ik zijn mening inmiddels deel. Nederlandse universiteiten zijn, deels door de inmiddels in twijfel getrokken promotiebonus, de afgelopen jaren meer “promovendifabrieken” geworden dan plaatsen waar uitgebreid nagedacht wordt over wetenschappelijke resultaten.

Stanford

Ook hier op Stanford, waar een gecombineerde master en promotie de zesjarige “graduate school” vormt, is één gepubliceerd artikel tijdens je promotie al veel. Sterker nog, ik heb postdoc-bijeenkomsten meegemaakt waar werd gezegd dat je na je eerste artikel in principe wel kon beginnen aan sollicitaties voor een vaste positie. Ter vergelijking, ik heb nu na anderhalf jaar postdoc elf artikelen op mijn naam, vrijwel allemaal uit mijn promotieperiode, en ik heb nog niet het idee dat ik al helemaal klaar ben voor die stap.

Meetbaarheid

Maar ja, artikelen leveren veel op: aanzien, zekerheid voor de toekomst en – niet onbelangrijk: meetbaarheid! Hoe vergelijk je anders immers twee onderzoekers die voor dezelfde baan solliciteren? Als we iets van wetenschap geleerd hebben is het dat meten weten is, toch? Jammer genoeg is het niet zo simpel. Kwaliteit wordt nog altijd verward met kwantiteit, al hebben NWO en de KNAW nu de ambitie uitgeproken daar verandering in te brengen. Ook in Engeland en Amerika wordt kwantiteit belangrijk geacht, maar het lijkt mij dat de nadruk wel wat meer richting de kwaliteit dan de kwantiteit ligt. Minder publicatiedruk en strengere selectie van gemotiveerde en kwalitatief integere promovendi kan helpen. En dan maakt het weinig uit of deze promovendi nou uitgroeien tot onderzoekers in het bedrijfsleven, tot docent op HBO of universiteit, of tot professor!