tweetaligheid

Elma Blom van de Universiteit Utrecht doet onderzoek naar tweetaligheid bij Turks-Nederlandse immigrantenkinderen en ontdekte dat tweetaligheid bepaalde negatieve effecten van een lage sociaal-economische status tegen kan gaan.

Aan het onderzoek deden een groep eentalige kinderen met hoogopgeleide ouders mee en een groep tweetalige kinderen met laagopgeleide ouders. Kinderen met laagopgeleide ouders groeien over het algemeen op in een minder stimulerende omgeving dan kinderen met hoogopgeleide ouders. Ze worden gemiddeld genomen minder voorgelezen, sporten minder en kijken meer tv. Kinderen die weinig gestimuleerd worden ontwikkelen zich minder snel dan kinderen die veel gestimuleerd worden.

Alle kinderen in het onderzoek waren vijf of zes jaar oud en kregen een aantal testjes waarin hun werkgeheugen werd gemeten. Ze hoorden bijvoorbeeld getallenreeksen en moesten die vervolgens nazeggen, in de ene taak vooruit, in de andere taak achteruit. “Achteruit nazeggen is moeilijker”, zegt Blom. “Dan moet je de getallen niet alleen opslaan in je geheugen, maar je moet ze ook verwerken. Om dat te kunnen doen, heb je voldoende werkgeheugen nodig, net als een computer.” De getallenreeksen die de kinderen te horen kregen, werden steeds moeilijker. “Hoe langer de reeks, hoe meer werkgeheugen je nodig hebt.” Om de kinderen niet te frustreren eindigde de taak op het moment dat ze te veel fouten begonnen te maken.

De resultaten laten zien dat de Turks-Nederlandse tweetalige kinderen met laagopgeleide ouders een even goed werkgeheugen hebben als hun eentalige Nederlandse leeftijdsgenootjes met hoogopgeleide ouders. “Dat is opmerkelijk”, zegt Blom, “want over het algemeen hebben kinderen van hoogopgeleide ouders een beter werkgeheugen dan kinderen van laagopgeleide ouders. Een stimulerende omgeving geeft je werkgeheugen namelijk een boost.” Bij een nadere analyse bleken de tweetaligen het beter te doen dan de eentaligen als je het effect van sociaal-economische status wegfiltert. De tweetaligheid van de Turks-Nederlandse immigrantenkinderen lijkt dus te compenseren voor hun lage sociaal-economische achtergrond. Verder bleken de effecten bij de 6-jarigen groter te zijn dan bij de 5-jarigen. Het werkgeheugenvoordeel lijkt zich dus te ontwikkelen naarmate een kind tweetaliger wordt.

Het onderzoek van Blom sluit aan bij eerder onderzoek naar de cognitieve effecten van tweetaligheid. Zo is het al langer bekend dat tweetaligen zich beter kunnen focussen. Dat komt waarschijnlijk doordat ze de hele tijd overzicht moeten houden over hun twee talen. Ze moeten de talen uit elkaar houden, beslissen welke taal ze wanneer gebruiken en steeds een van hun twee talen onderdrukken. Wanneer een Turks-Nederlands kind Nederlands spreekt, moet hij de Turkse woorden die in zijn hersenen actief worden negeren. Deze focustraining beperkt zich niet tot de hersengebieden die met taal te maken hebben, maar werkt ook door in de rest van het brein. Dat tweetaligheid ook goed is voor je werkgeheugen is een relatief nieuwe vondst in het onderzoek. Blijkbaar geeft het spreken van twee talen een uitgebreide hersentraining die verder gaat dan focussen alleen. Bovendien laat het onderzoek van Blom zien dat het tweetalige voordeel ook geldt voor kinderen van laagopgeleide ouders.

Hoewel Blom overtuigd is van de cognitieve voordelen van tweetaligheid zijn er ook onderzoekers die de voordelen in twijfel trekken. “Sommige onderzoekers vinden geen verschillen tussen een- en tweetaligen. Dit zou onder andere kunnen komen doordat tweetaligheid erg veel vormen heeft en niet elke vorm van tweetaligheid tot een cognitief voordeel leidt. Niet alle tweetalige kinderen beheersen hun twee talen voldoende of gebruiken ze actief.” Daarnaast benadrukt Blom dat ze pas een verschil zag tussen de twee groepen toen ze de sociaal-economische achtergrond van de kinderen meenam in haar analyse. “Als je zo’n soort verschil tussen beide groepen niet meeneemt, dan bestaat het risico dat je het tweetalige voordeel niet ziet, terwijl het er wel degelijk is.”

Bloms onderzoek suggereert dat tweetaligheid een belangrijke bron van verrijking kan zijn voor kinderen met laagopgeleide ouders. Kinderen die opgroeien in immigrantengezinnen leren op natuurlijke wijze twee talen, doordat ze thuis een andere taal spreken dan op school. “Het is van belang dat deze kinderen niet alleen goed Nederlands leren, maar ook de taal die thuis gesproken wordt. Alleen dan kunnen de cognitieve voordelen van tweetaligheid tot bloei komen.” Verder is de thuistaal ook belangrijk voor de sociale ontwikkeling. Als een kind de taal van zijn ouders niet goed leert, dan kunnen er allerlei sociale problemen ontstaan doordat er binnen het gezin geen goede communicatie mogelijk is. Bovendien is taal een belangrijke uiting van identiteit. Volgens Blom zou de talenrijkdom van een kind dat thuis Turks of Arabisch spreekt wel wat meer gewaardeerd mogen worden. “Onze kinderen moeten Engels, Frans en Duits leren, maar er is weinig enthousiasme voor de niet-westerse talen die immigrantenkinderen thuis leren.”

Blom is nog lang niet klaar met haar onderzoek. In een groter project genaamd “Cognitive Development in the Context of Emerging Bilingualism” (CoDEmBi) doet ze ook onderzoek naar tweetalige kinderen met een taalstoornis, Friese kinderen, kinderen in Limburg en Poolse kinderen. Ze probeert uit te zoeken wanneer meertaligheid een risico vormt voor de ontwikkeling van een kind en wanneer het juist een meerwaarde is. Daarnaast wil Blom met haar onderzoek bereiken dat we ons bewust worden van de talenrijkdom die Nederland al heeft, zonder dat we er iets extra’s voor hoeven te doen.

Bron: Blom et al. (2014). “The benefits of being bilingual: Working memory in bilingual Turkish-Dutch children”, Journal of Experimental Child Psychology 128: 105-119.