3741745674_d627d057f4_z

Er is een bekende stelling van de bioloog Dobzhansky: Nothing in biology makes sense, except in the light of evolution. Ik vind dit een mooie uitspraak, en ben het er roerend mee eens. Maar helaas kan alles overdreven worden, dus ook dit idee. Want dat iets meer ‘sense’ heeft in een evolutionaire schijnwerper, betekent niet dat die verklaring ook automatisch toepasselijk is. Dat klinkt wellicht wat cryptisch, dus laat ik dat uitleggen.

Krijsende baby
De beste uitleg is vaak een voorbeeld, en het beste voorbeeld hier is opzettelijke overdrijving. Neem fysicus Tomer Ullman. Ullman, gefrustreerd door het niet-aflatende huilen van zijn jonge zoon, heeft bedacht dat die huilbuien — en zijn eigen frustratie daarover — wel eens een evolutionaire aanpassing kunnen zijn. En wel zo: huilende kinderen zorgen voor nijdige ouders. Nijdige ouders zijn een stuk agressiever, en dus beter in een gevecht. Dorpen met veel huilende kinderen zullen dus waarschijnlijk winnen in een conflict met het buurdorp, waar de kinderen ‘s nachts allemaal rustig slapen. Ziedaar, het evolutionaire voordeel van een krijsende baby.

Dat Ullman hiermee de draak steekt met de stelling van Dobzhansky mag duidelijk zijn. Dat weet Ullman zelf gelukkig ook heel goed. Maar niet iedereen is deze tegenwoordigheid van geest beschoren, en het blijkt vaak behoorlijk verleidelijk om aan alles een evolutionaire verklaring te geven. Wat daarbij meestal vergeten wordt, is dat het proces van ‘evolutie’ niet alleen over aanpassing (adaptatie) gaat: de grootste kracht achter de levende wezens om ons heen, is toeval.

Complexiteit
Achter ieder kenmerk van een levend wezen een doelmatig ontwikkelde eigenschap zoeken gaat voorbij aan de complexiteit van biologie, en aan het belang van dom geluk. Om te beginnen kan natuurlijke selectie alleen maar werken met de varianten die daadwerkelijk bestaan, en sommige variaties ontstaan nu eenmaal makkelijker dan andere. Daarnaast hangen veel aspecten in een organisme met elkaar samen: genen doen zelden maar één ding, en worden vaak juist ‘gerecycled’ voor nieuwe kenmerken. Tenslotte is er het statistische proces dat ‘drift’ heet: de stochastische verspreiding (of verwijdering) van genvarianten uit een populatie, puur door toeval.

Kortom, evolutie is véél meer dan natuurlijke selectie als optimalisatieproces. Maar dat mag voor velen de pret niet drukken: de zoektocht naar ‘een evolutionaire verklaring’ voor een fenomeen lijkt vaak verdacht veel op de gedachtegang van Tomer Ullman: stap 1, neem fenomeen. Stap 2, bedenk mogelijk voordeel met implicaties voor overleven of voortplanting. Stap 3, werk uit.

PMS
Zo verscheen er onlangs in het wetenschappelijke tijdschrift Evolutionary Applications een artikel over de evolutionaire voordelen van het pre-menstrual syndrome, of PMS. De auteur van het stuk, bioloog Michael Gillings, stelt dat PMS een voordeel zou kunnen opleveren voor de vrouw omdat het relaties die niet tot nageslacht leiden — waar vaak sprake is van PMS in plaats van een beginnende zwangerschap — onder druk zet. Vrouwen die erg last hebben van PMS uiten hun irritatie tegenover de huidige partner, stelt Gillings, en zijn tegelijkertijd op jacht naar een nieuwe. Dat gedragspatroon levert evolutionair voordeel op als je in een monogame relatie met een steriele man verkeert: dat is een evolutionair nutteloze relatie. Dumpen die handel.

Gillings, die in tegenstelling tot Ullman bloedserieus was over zijn hypothese, kreeg gelukkig nogal wat kritiek over zich heen. Allereerst uit antropologische hoek: hij deed verstrekkende aannames over relatiestructuren in onze voorouders, en vergat voor het gemak de enorme biologische complexiteit die ten grondslag ligt aan PMS. Maar juist ook de evolutionaire invalshoek kwam onder vuur te liggen: het zoeken naar een ‘reden’ voor PMS impliceert immers dat er een is — en dat is dus maar zeer de vraag.

Speculatie
Ergens is het wel begrijpelijk: we willen graag weten waarom we zijn wie we zijn, en het is dus verleidelijk om wilde verhalen te bedenken als origin story. Maar de vraag is hoeveel we hiervan leren. Vraag ‘hoe’ iets geëvolueerd kan zijn, en duik in de genetica, de ontwikkelingsbiologie. Maar vraag ‘waarom’, en je belandt in het troebele veld van de speculatie.

Wat mij betreft is speculatie een prima (en hilarische) tijdsbesteding als het gaat om projecten als dat van Tomer Ullman en co, maar misschien moeten we het daar maar gewoon bij laten. Dobzhansky had gelijk toen hij zei: nothing in biology makes sense except in the light of evolution — maar hij zei evolution, niet adaptation. En hij sprak al helemaal niet over de adaptatie van afzonderlijke eigenschappen, los van de biologische complexiteit van het individu: dat is geen zin, maar zotheid.

 

Plaatje boven: Crying, door Kitsu op Flickr (licentie CC BY 2.0).