IMG_0883

Oefening baart kunst. Dat was al bekend. Maar geldt dat ook als ik met kunst creatief denken bedoel? En dan niet creatief in de zin van leuke 3D kerstkaarten knutselen. Nee, scherpzinnig, origineel, vooruit, grappig zijn en oplossingen zien waar anderen over een probleem struikelen. Is dat te leren? Israëlische onderzoekers ontdekten dat specifieke training in muzikale improvisatie je creatiever maakt dan ‘gewoon’ vaak muziekstukken spelen, en welke rol een zogenaamde ‘interne jury’ speelt bij de vorming van creatieve gedachten.

Ik raak enorm geïnspireerd door mensen die hun intellect op creatieve wijze inzetten, zoals jonge mensen die verrassende én goedlopende concepten of bedrijfjes opzetten (zoek maar eens op Radicale Vernieuwers). Maar ook bijvoorbeeld intelligente cabaretiers, die niet alleen van zo’n beetje alles in de wereld op de hoogte blijken te zijn (de laatste drie Slimste Mensen waren cabaretier), maar die ook nog eens een verrassende draai aan hun kennis weten te geven. Ik geniet van dat soort schijnbaar moeiteloze hersengymnastiek.

Inspiratie is voor mij een combinatie van plezier beleven aan andermans originele vondsten en ‘dat wil ik ook!’, op de voet gevolgd door een reality-check: ‘kan ik dat ook?’ Een creatieve geest levert echter meer dan een avondje vermaak; het kan onze overlevingskansen vergroten. Daarom denken neurowetenschappers dat onze hersenen er in de loop van de evolutie handige systemen voor hebben ontwikkeld. Zij proberen die systemen te begrijpen: hoe werkt creativiteit?

In het psychologische Geneplore (generate-explore) model wordt creativiteit beschreven als een voortdurende beweging van gedachten tussen ideeontwikkeling en -evaluatie. Een soort ‘interne jury’ beoordeelt of de gevormde ideeën nieuw en geschikt zijn. Hierbij sneuvelen ideeën: de creatieve output wordt ingedamd. Hoeveel ideeën door de selectie komen hangt af van de jury, die streng of juist toegeeflijk kan zijn. Neurowetenschappelijke observaties ondersteunen dit model. De achteruitgang van de functie van bepaalde hersengebieden, bijvoorbeeld bij hersenaandoeningen, blijkt nieuwe creativiteit te kunnen ‘losmaken’, wat suggereert dat er inderdaad een hersensysteem is dat creativiteit normaalgesproken afremt. Als je de jury, dus de activiteit in deze hersensystemen, zou kunnen temmen, vergroot dat volgens deze theorie de creativiteit.

Israëlische onderzoekers beschreven op 10 juli in PLoS ONE hoe zij dit model hebben getest. Ze onderzochten of geoefend zijn in muzikale improvisatie de creativiteit beïnvloedt, en of dit proces afhangt van het interne evaluatieproces. De wetenschappers vergeleken de ontwikkeling en evaluatie van creatieve ideeën tussen klassiek geschoolde musici, muzikanten gespecialiseerd in improvisatie, en niet-musici. Creativiteit werd beoordeeld aan de hand van het aantal ideeën dat proefpersonen hadden bij een opdracht, de originaliteit ervan, en het soort oplossingen (flexibiliteit) waarmee ze op de proppen kwamen. De deelnemers moesten ook andermans ideeën op originaliteit beoordelen en aangeven of ze deze vreemd of afwijkend vonden. Zo werd de strengheid van hun evaluatiesysteem ingeschat.

De improvisatiegroep produceerde meer ideeën dan de klassiek geschoolde muzikanten, terwijl de flexibiliteit in denken hetzelfde was in alle groepen. Qua originaliteit won de improvisatiegroep het van beide andere groepen, die onderling niet van elkaar verschilden. De improvisatiespecialisten beoordeelden andermans ideeën minder streng dan de niet-muzikanten: ze vonden de antwoorden minder vreemd. Ten opzichte van de andere musici waren ze maar ietsje soepeler.

Creativiteit kun je dus trainen: meer oefening met improvisatie ging gepaard met een mildere interne jury, met meer creatieve ideeën tot gevolg. Matthijs Baas, die aan de Universiteit van Amsterdam creativiteit onderzoekt, denkt dat improvisatie gestructureerd getraind moet worden. ‘Muziek biedt die structuur, hoewel je daarbij wel eerst over basale technieken moet beschikken. Misschien lukt het ook met toneel-improvisatieoefeningen. Muzikale improvisatietraining ging in deze studie gepaard met creativiteit in taal- en tekentesten. In de context van school is het lastiger de benodigde structuur te bieden, maar misschien hebben toneeloefeningen eenzelfde effect. Iets om te testen.’

Door jarenlange training in improvisatie leken de proefpersonen meer open te staan tegenover afwijkende ideeën. Vroeger gingen we improviserend door de speeltuin en het leven, maar later werden we onder invloed van toenemende kennis en ervaring kritischer over onze eigen ideeën. Die strenge houding lijken we vervolgens dus weer te kunnen afleren door veel te improviseren.

Zoals altijd moet meer onderzoek dit mechanisme bevestigen en bovendien moeten de kip en het ei worden ontmaskerd. Dat neemt niet weg dat we zelf alvast met deze inzichten kunnen experimenteren: er schuilt weinig risico in regelmatig improviseren. Het zou mooi zijn als we ontdekken hoe we meer kennis en ervaring kunnen opdoen, en daarmee een kritische blik ontwikkelen, zonder de improvisatiemodus uit onze kindertijd volledig te verliezen. Een coulante jury die creatieve ideeën toestaat, kan de bron zijn van mooie originele oplossingen voor problemen, of gewoon een avondje vermaak.