Hanneke_121106

Niet alleen kijken naar de kwantiteit van het leven maar ook naar de kwaliteit. Dat is zo’n beetje de rode draad die door het werk van oncoloog én theoloog Hanneke van Laarhoven loopt. Zonder extra moeite verweeft de dochter van een priester en verpleegkundige de ‘harde’ klinische wetenschap van de oncologie met de ‘zachtere’ maar belangrijke vragen hoe in de zorg voor de patiënt de kwaliteit van het leven, nu en in de (soms korte) toekomst, gewaarborgd kan blijven.

De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan (in uw werk)?

[resoluut] Letterlijk? Nooit. En in mijn werk eigenlijk ook niet echt. Over de knie gaan wekt bij mij de associatie op van een flinke afstraffing en dat is een ervaring die ik nooit ben tegengekomen. Er zijn natuurlijk lastige momenten in het dagelijkse werk, waarbij je weerstand ontmoet. Een voorbeeld: ik ben op dit moment met een project bezig, waarbij een database wordt opgezet waarin, naast alle biologische en klinische data van verschillende typen kanker van het maagdarmkanaal, ook data over de kwaliteit van leven en het welbevinden van de patiënt worden opgenomen. Dit is een enorme klus, een nieuwe insteek, die ook erg kostbaar is en soms botst met bestaande opvattingen en ego’s. Wij zijn er echter van overtuigd dat met deze nieuwe insteek de patiëntenzorg daadwerkelijk beter wordt, dus zetten we door. Die weerstand, of over de knie leggen, is ‘part of the deal’, zeg maar.

Het CV van Prof. Dr. Hanneke van Laarhoven leest als een jongensboek. Twee studies cum laude en tweemaal gepromoveerd, beide keren in Nijmegen. En toch zegt ze aan de telefoon, dat ze zichzelf niet als jong aanstormend wetenschappelijk talent ziet. Haar eerste promotie was binnen de medische wetenschappen, over het identificeren van predictieve factoren voor response op therapie van uitgezaaide dikkedarmkanker. Haar tweede proefschrift, aan de faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen ging over het onderwerp ‘distress bij patiënten met kanker en de rol die beleving van tijd daarin speelt’. In haar eigen woorden is zij “niet alleen geïnteresseerd in de kwantiteit van het leven, maar ook in de kwaliteit”. Deze combinatie spreekt tot de verbeelding en daarom was zij ook al regelmatig te gast in verscheidene televisie-programma’s [1, 2].

Wat gaat u morgen doen? Heeft u er zin in?

Jazeker, ik ga bijna altijd met plezier naar mijn werk. Ik heb morgen besprekening met een aantal van mijn AIOs en Masterstudenten. Daarnaast heb ik ook een klinische bespreking over patiënten met maag-darm kanker.

Waar gaat u volgende publicatie over?

Mag ik er twee noemen? De eerste gaat over receptorsignalering bij slokdarm-kanker. We kijken specifiek naar de Her2-receptor. De expressie van deze receptor is een marker is voor gevoeligheid van de kanker voor een behandeling met het middel Herceptin (Trastuzumab). We kijken naar de effecten van deze behandeling op de receptorexpressie, de interactie met andere receptoren en het verband met het ontstaan van therapieresistentie. Iets compleet anders is een artikel over de verbetering van de kwaliteit van leven voor patiënten met kanker. Het betreft een onderzoek in samenwerking met geestelijke verzorgers, die gesprekken voeren – met behulp van een e-Applicatie op een tablet – met patienten die niet meer kunnen genezen. In die gesprekken worden hun levensverhalen en verwachtingen gedocumenteerd. De spannende eerste stap in dit proces – het trainen van de geestelijke verzorgers- is het onderwerp van dit artikel. Zij waren gewend op een eigen wijze te werken maar maken nu de overstap naar gespreksvoering op een voorgestructureerde manier.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt, of in de methodes die u gebruikt? Hoe draagt u bij aan de innovatie in uw vakgebied?

Nieuw is het samenbrengen van de twee kanten van de zorg voor patiënten met kanker. Maar die zogenaamde harde en zachte wetenschap, zijn in de laatste jaren al veel dichter bij elkaar gekomen en dat uit zich bijvoorbeeld in het feit dat bij klinische studies vaker ‘kwaliteit-van-leven’ data worden opgenomen. Deze data worden verkregen door middel van gevalideerde vragenlijsten en/of interviews. Andersom, krijgen we ook steeds meer door, dat de kwaliteit van leven van een patiënt biologisch en genetisch is bepaald. Ik zou zelfs willen zeggen, dat je bijna geen oncologisch onderzoek meer kan doen zonder beide componenten.

Het werken op de grens tussen die twee vakgebieden is wat het voor mij spannend maakt. Kijken naar behandelingen en jezelf afvragen hoe deze, in al hun facetten, het welbevinden van de patiënt beïnvloeden. En, zijn er misschien andere manieren die tot dezelfde uitkomsten leiden? Ik denk dat je op deze manier ook echt nieuwe dingen ontdekt en je merkt dat de wereld toch anders in elkaar zit dan dat je oorspronkelijk dacht. Geesteswetenschappers, psychologen en medisch oncologen zitten niet vaak bij elkaar aan de tafel. Dat dit nu gebeurt,  brengt interessante nieuwe dingen naar boven.

Daarnaast vind ik het ook heel leuk om echt medisch translationeel onderzoek te doen, met bv het Lexor Lab hier op het AMC. Hierbij werken de harde medisch wetenschappelijk ‘lab’ jongens intensief met de kliniek samen.

Wat belemmert uw werk ? Wat zou er moeten veranderen in de wetenschap?

Hmmmm….niet echt veel……wacht…wat denk ik jammer is, is dat er bij het aanvragen van financiering heel veel tijd gaat zitten in onnodige bureaucratie. Het is onduidelijk of het selectieproces van projectaanvragen hier nu echt mee geholpen wordt. Ik merk dat, als ik zelf als reviewer optreed, ik steeds meer papier en informatie krijg die ik links laat liggen omdat ze niet echt relevant zijn voor de aanvraag. Die onderdelen kosten wel heel veel tijd voor de aanvrager. Dus: het proces van de verdeling van de onderzoeksgelden kan wel geoptimaliseerd worden.

Maar belemmering? Dat is eigenlijk een te groot woord. Mijn werk gaat goed en het gaat vooruit. Ik heb het zeer naar mijn zin. Ik heb wel een algemene zorg dat de publicatiedruk in de wetenschap te hoog is en daar sta ik niet alleen in. De primaire motivatie voor mensen om onderzoek te doen, zou moeten zijn dat ze het interessant, belangrijk en leuk vinden. Het feit dat dit onderzoek in de Lancet komt, zou secundair moeten zijn. Nu wordt dit laatste toch vaak het primaire doel.

U bent professor. Welke bijdrage hoopt u (droomt u?) nog te leveren?

[meteen] Uiteindelijk hoop ik dat, door wat ik doe, de zorg voor patiënten met kanker een stukje beter wordt.  En dan bedoel ik niet het verbeteren van ‘leveren van de (medische) zorg’ maar het verbeteren van het leven van de patiënt. Zodat ze op een goede manier langer kunnen leven. We gaan overigens echt vooruit, met kleine stapjes dat wel, maar we gaan vooruit.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u? Waar denkt u aan?

Komende zaterdag ben ik de 200 boekendozen aan het vullen voor onze aanstaande verhuizing. Maar op een ‘gewone’ zaterdag zit ik toch wel met enige regelmaat achter de laptop, om een artikel te corrigeren of te werken aan een subsidieaanvraag om dan, aan het eind van de zaterdag toch een lekker stukje te gaan hardlopen in het Amsterdamse bos.