straffen

Sinds het omvangrijke bedrog van psycholoog Diederik Stapel in 2011 aan het licht kwam is er veel aandacht voor wetenschapsfraude. Zowel de universiteiten, de media als wetenschappers zelf zijn de afgelopen jaren meer bedacht op slechte onderzoeksmethoden, verdacht uitziende figuren en scheve conclusies (soms met een knipoog). Het woord ‘plagiaat’ is ondertussen onderdeel van de algemene vocabulaire van de meeste Nederlanders. Ook in 2014 zijn in Nederland de eerste twee gevallen van wetenschapsfraude alweer aan het licht gekomen, én uitgebreid uitgemeten in de media: econoom Peter Nijkamp en celbioloog Pankaj Dhonukse. Beide heren, die inderdaad fout zaten, worden publiek aan de schandpaal genageld. De berichtgeving over vermeende fraudeurs neemt de laatste tijd extreme vormen aan die niet helemaal in verhouding staan met de ernst van de fraudezaken.

Zo was er in januari het geval van ‘zelfplagiaat’ van de econoom Peter Nijkamp van de Vrije Universiteit. Hierover was nogal wat onduidelijkheid. Want wat had hij nou precies verkeerd gedaan? Zichzelf geciteerd zonder dat te melden – is dat erg dan? Als het gaat om een belangrijke claim, die herhaald wordt alsof het nieuw is, dan is dat inderdaad kwalijk. Maar wanneer iemand zijn eigen bewoordingen herhaalt in een volgend artikel, is dat minder erg. Maar de VU nam het hoog op: de promotie van Nijkamps AIO werd uitgesteld op basis van vage, anonieme beschuldigingen. Nijkamp zelf weersprak de beschuldigingen en vond dat er een hetze in het leven was geroepen, die niets meer te maken had met de inhoud van de artikelen waarin het zelfplagiaat gevonden was. Ook het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), dat fraudezaken behandelt, was kritisch over de gang van zaken: zeker het uitstellen van een promotie op basis van anonieme klachten werd niet gewaardeerd.

Recent kwam de Utrechtse celbioloog Pankaj Dhonukse in het nieuws vanwege mogelijke fraude in een aantal artikelen in de tijdschriften Cell en Nature. Hij was slordig geweest met het presenteren van figuren, en had geknipt en geplakt in foto’s zonder dat te melden aan zijn mede-auteurs en aan de tijdschriften. De Universiteit Utrecht stelde een onderzoek in en maakte dit wereldkundig in een persbericht, waarop de fraude in de media breed werd uitgemeten. Gezien de omvang van deze ‘fraude’ (die de conclusies van het onderzoek niet ondermijnden), was dit wellicht een kwestie geweest die de universiteit, de onderzoeker en de tijdschriften onderling hadden kunnen oplossen zonder daarbij de media te betrekken.

Nijkamp is een gerenommeerd onderzoeker in zijn vakgebied en publiceert veel. Ook Dhonukse publiceerde in toptijdschriften als Cell en Nature. Beide onderzoekers zijn schuldig aan onzorgvuldigheden en slordigheden, iets wat jonge wetenschappers in het begin van hun carrière al keihard afgeleerd wordt. Voor onderzoekers in hún positie en met hun prestige is het een schande dat ze zeggen ‘niet te weten’ wat de regels waren, zoals bijvoorbeeld Dhonuske beweert. De heren moeten zeker op het matje geroepen worden en hun excuses aanbieden (wat ze beiden hebben gedaan), maar zou in hun geval een rectificatie in het tijdschrift waar ze in publiceerden niet genoeg zijn geweest? Publiek aan de schandpaal genageld worden, zoals nu gebeurt, vind ik te ver gaan.

Door deze verhoogde media-aandacht moeten universiteiten nu meer bedacht zijn op dergelijke gevallen om hun reputatie niet te schaden. Maar voor universiteiten is deze gang van zaken nieuw. Zij zijn nog zoekende naar de beste manier waarop de verhoogde controle op fraude moet plaatsvinden, zoals Hans Clevers, president van de KNAW, betoogt in een recent interview. Maar, zoals hij ook zegt, regels alleen kunnen fraude niet voorkomen, het zijn de wetenschappers zelf die eerlijk en oprecht moeten zijn. Gelukkig zijn de meesten dat ook zeker wel.

De recente focus op wetenschappelijke integriteit is een goede ontwikkeling. Maar de hype die nu ontstaan is rondom iedereen die iets fout doet is behoorlijk uit de hand gelopen. Kwaliteitskranten troeven elkaar af met wie “als eerste” de nieuwe fraudegevallen ontdekte. Kranten en journalisten beschuldigen universiteiten ervan de fraudezaken onder de pet te houden. Wetenschappers beschuldigen universiteiten ervan dat aanklachten ongegrond zijn. Het LOWI beschuldigt universiteiten ervan onnodige onderzoeken in te stellen. Zo wijst iedereen de vinger naar elkaar en heeft het met het doen van goede wetenschap niets meer te doen. Openheid is goed, maar wanneer dit leidt tot een heksenjacht op iedereen die een fout durft te maken, schieten we er in de wetenschap niets mee op.