piedflycatcher

De krekel en de mier kunnen het niet met elkaar vinden, volgens de klassieke fabel. De krekel maakt veel te veel herrie en verzet geen werk, en als de winter gekomen is en de krekel het koud heeft weigert de mier om haar voedsel te delen. Zo bestaan er nog talloze fabels: de schildpad en de haas, de vos en de raaf — dierenrivaliteit doet het goed in fictie.

Dierenrivaliteit is ook aan de orde van de dag voor de evolutiebioloog. Soorten leven en evolueren immers niet in een vacuüm, maar met andere dieren, planten, schimmels en bacteriën. Soms zijn twee soorten zo nauw met elkaar verbonden dat we spreken van co-evolutie: het evolutionaire traject van de een is niet los te zien van dat van de ander.

Vaak gaat het hier om parasieten en hun gastheer: de gastheer evolueert resistentie tegen de parasiet, maar de parasiet weet die vervolgens weer te omzeilen. Het is een evolutionaire wapenwedloop geworden, soms met fabelachtige elementen.

Zo zijn er de koolmees (Parus major) en de bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca). Van twee zo vergelijkbare vogelsoorten zou je misschien verwachten dat het samenleven enkel een wedstrijdje voedsel verzamelen zou zijn, maar zo simpel ligt het hier niet. Nieuw onderzoek uit Finland laat zien hoe de vliegenvanger een manier heeft gevonden om de koolmees voor zijn karretje te spannen: koolmezen, die relatief vroeg nesten, worden door de vliegenvanger als indicator gebruikt voor de kwaliteit van een nestgebied — regelrecht informatieparasitisme. Hoe meer eieren er in het nest liggen, hoe beter de omstandigheden vermoedelijk zijn; een vliegenvanger die halflege koolmeesnesten tegenkomt zal dus eieren voor zijn geld kiezen en een betere locatie willen.

Zijn de nesten echter vol, dan zoekt de vliegenvanger een leuk plekje in een naburige boom. De koolmees heeft nu competitie bij het eten vergaren, en dat terwijl ze net een flinke hoeveelheid kroost heeft geproduceerd. Daarbij is een gebied met veel vogelnesten ineens een interessante plek geworden voor predators. Kortom, de koolmees ondervindt enkel nadelen van de nieuwe buren, terwijl deze tactiek voor de vliegenvanger juist erg nuttig is.

Onder die omstandigheden zet de koolmees natuurlijk de verdediging in: ook hier moet een evolutionaire wapenwedloop voor balans zorgen. Met allerlei nestmateriaal worden de eieren door de mezen bedekt, zodat nauwelijks nog te zien is hoeveel er gelegd zijn. De vliegenvanger wordt bedot, en de koolmees heeft weer rust.

Dat gedrag was al langer bekend, maar niemand wist precies waarom de mezen dit deden. De Finse onderzoekers hebben het aan de wapenwedloop kunnen koppelen door een experiment: ze stelden de koolmezen bloot aan de zang van zowel vliegenvangers als pestvogels (Bombycilla garullus). De mezen die de vliegenvangers hoorden, verzamelden ineens aanzienlijk meer materiaal om over de eieren heen te leggen dan de controlegroep, die pestvogels hoorde. De pestvogels zijn minder geïnteresseerd in het succes van de koolmezen, en hun aanwezigheid maakte andersom op de mezen ook weinig indruk.

De vliegenvangers zijn een informatieparasiet, en de nestbedekking is de resistentie van de koolmees. De vliegenvanger is nu weer aan zet, en het lijkt erop dat ze een plan hebben: de onderzoekers zagen sommige vliegenvangers de mezennesten binnendringen, om daar bedekking te stelen. Hier gaat de fabelvergelijking dan eindelijk mank: de co-evolutie van de vliegenvanger en de koolmees kent wellicht een moraal, maar voorlopig nog geen einde.

 

Plaatje boven: bonte vliegenvanger, door Tatiana Bulyonkova op Flickr (licentie CC BY-NC-SA 2.0).