Miss_Baker_with_Certificate_of_Merit-rechtenvrije-afbeelding-249x220

Wie wel eens een tamme rat als huisdier heeft gehad, zal waarschijnlijk hebben gezien dat het diertje uiteindelijk overleed aan kanker. Ratten in het wild overlijden echter niet snel aan kanker. De tamme diertjes krijgen kanker omdat het de nazaten zijn van laboratoriumratten die speciaal gefokt werden om kanker te krijgen. Hoewel de ratten vast blij zijn om het laboratorium te zijn ontsnapt, dragen ze nog altijd deze nare erfenis met zich mee.

Als het aan onderzoekers ligt, wachten apen eenzelfde lot. Wereldwijd werken een aantal onderzoeksgroepen aan de ontwikkeling van apen met verzwakte immuunsystemen of hersenziekten. Door vervolgens experimenten op deze dieren uit te voeren hopen de onderzoekers de behandeling van deze ziektes bij mensen te verbeteren. Als een soort ‘stunt-double’ nemen de apen de risico’s in de plaats van de mens, echter zonder de beloning die de stuntman daarvoor krijgt.

De meeste dierenexperimenten worden uitgevoerd met ratten en muizen. In veel opzichten zijn dit goede modellen voor de mens maar juist voor immuun- en hersenziektes zijn apen veel betere modeldieren omdat hun immuunsysteem en hersenen veel meer gelijkenis hebben met de mens.

Terwijl ratten door middel van traditioneel fokken op vatbaarheid voor kanker werden geselecteerd, worden de apen echter door middel van directe genetische modificatie veranderd. Genetische modificatie vergroot de zekerheid dat de aap over exact de juiste ziekte beschikt en het is bovendien een stuk sneller dan de selectie van de meest geschikte dieren door middel van fokprogramma’s alleen.

In 2009 lukte het Japanse onderzoekers voor het eerst om een genetisch gemodificeerde aap te creëren die deze modificatie vervolgens ook aan zijn nageslacht kon doorgeven. Sindsdien is het snel gegaan. Met name het gebruik van het systeem CRISPR (Clustered Regularly Interspaced Short Palindromic Repeats) is daarvoor belangrijk. Met deze techniek is het mogelijk om heel precies genetische informatie te veranderen, onder meer door gebruik te maken van een enzym dat bij bepaalde bacteriën werd aangetroffen en dat gespecialiseerd is in het opknippen van stukjes DNA. Dankzij deze techniek verwacht men komend jaar de eerste genetisch gemodificeerde aap met immuun- of hersenziekte te maken. De ontwikkeling is dermate veelbelovend dat Nature het onlangs bovenaan de lijst zette met wat men in 2014 aan wetenschappelijke doorbraken kan verwachten.

Tegelijkertijd stelt deze technologische ontwikkeling ons voor een moreel dilemma. De onderzoekers zelf verzekeren ons dat deze ontwikkeling het aantallaboratoriumdierenkan verminderen omdat de modellen nu veel specifieker zijn. Echter, dit type onderzoek draagt wèl bij aan de instandhouding van het gebruik van laboratoriumdieren. En dat terwijl experimenten met dieren zeker niet de enige manier is om medicijnen of therapieën te ontwikkelen. Onderzoekers zijn steeds inventiever geworden in het vinden van alternatieven voor laboratoriumdieren, van het kweken van cellen tot het printen van menselijk materiaal met 3D printers. De genetisch gemodificeerde apen kunnen ongetwijfeld een rol spelen in de zoektocht naar nieuwe medicijnen, maar in plaats van apen genetisch te modificeren zouden we beter alternatieve methoden moeten aanmoedigen.

Bovendien is het ook de vraag wat er op de lange termijn met deze dieren gebeurt, een dilemma waar de onderzoekers verder niet op in gaan. Honderd jaar geleden had niemand voorzien dat ratten het wel eens tot huisdier zouden kunnen schoppen. Kunnen wij nu wel voorzien waar de genetisch gemodificeerde apen terechtkomen? Over genetisch gemodificeerde apen is het laatste woord nog niet gezegd.