gecomprimeerd-9144 (2)

Prof. Ewout Frankema noemt zichzelf een onorthodoxe historicus. Eentje die dingen anders doet en gewerkt heeft in Latijns Amerika, Azië en Afrika. Voor dat ene doel: het begrijpen van de wortels en evolutie van ongelijkheid in de wereld.

De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan (in uw werk)?

Over de knie? God, wat een lastige vraag, [10 sec stil]: Ik denk dat ik terug moet gaan naar de laatste fase van mijn promotie op het moment dat ik commentaar kreeg van mijn promotor op de laatste twee hoofdstukken van mijn proefschrift. Dat is iets, waarvan ik met terugwerkende kracht, heel veel heb geleerd. Dat ging over zowel inhoud, methodologie en argumentatiestructuur. Daar deugde heel weinig van, terwijl ik dacht dat ik het proefschrift ongeveer klaar had. Die kritiek heeft ertoe geleidt dat ik nu niet snel meer tevreden ben met wat ik schrijf.

Wat gaat u vandaag doen? heeft u er zin in?

Ik heb vandaag een vergadering van een benoemingsadviescommissie. Daar heb ik wel zin in. Het is altijd leuk om te zien of je een goede nieuwe collega kan werven. En ik heb vandaag een afspraak met één van mijn AIO’s over een nieuw stuk waar ik heel erg enthousiast over ben.

Waar gaat u volgende publicatie over?

Dat is nog niet helemaal duidelijk want er zitten een aantal artikelen in de pijplijn. Het wordt óf een artikel over de vorming en lange termijn ontwikkeling van belastingsystemen in Afrika. Het zou ook een paper kunnen zijn over de vraag of Afrika op dit moment daadwerkelijk uit de armoede groeit of niet. En tenslotte zou de publicatie kunnen gaan over de lange-termijn historische evolutie van Amerika en Afrika voor 1500, dat wil zeggen, voordat de dwingende Europese invloed de ontwikkelingstrajecten van beide continenten ndarukkelijk ging meebepalen.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt, of in de methodes die u gebruikt? Hoe draagt u bij aan de innovatie in uw vakgebied?

Er zijn twee belangrijke dingen: ten eerste, houd ik me bezig met een hele oude vraag, namelijk de wortels van ongelijkheid in de wereld en dan voornamelijk in voormalige ontwikkelingsregio’s. Die vraag is op zichzelf niet nieuw, maar ik probeer deze te koppelen  aan hypothesevorming over de mogelijke ontwikkeling van armoede en welvaart in de toekomst. Dat is een innovatieve insteek omdat de meeste historici vaak blijven steken in het verleden. Ik zoek expliciet naar het verband tussen wat de geschiedenis ons leert over de trajecten van ongelijkheid (en ook convergentie, dwz. het kleiner worden van ongelijkheid) en hoe dat in de toekomst mogelijk zal kunnen evolueren. Dit is voor hedendaags Afrika een zeer belangrijk vraagstuk. Kan deze regio aansluiten bij  vergelijkbare ontwikkelingen die hebben geleid tot snelle armoedereductie in o.a.  Z-O. Azië en Latijns Amerika?

Ik laat me daarbij inspireren door het werk van economen en bètawetenschappers, zoals klimatologen en evolutionaire genetici, die in hun werk eigenlijk ook heel veel met ‘geschiedenis’ bezig zijn. Nieuwe inzichten uit bijvoorbeeld ‘genome-sequencing’ kunnen worden gebruikt om de evolutie van infectieziekten te besturen of hoe bepaalde dieren in het verleden gedomesticeerd zijn. Ik speel graag leentjebuur bij mijn collega’s.

Wat belemmert u werk ? Wat zou er moeten veranderen in de wetenschap?

Ja, daar heb ik een duidelijk opvatting over. In de laatste 10-20 jaar is kwantiteit boven kwaliteit gaan prevaleren in de beoordeling van wetenschappelijke excellentie. We zijn een soort fabrieksarbeiders geworden die aan de lopende band artikelen moeten produceren. Dit heeft geleid tot de bekende excessen (bv Stapel-affaire) die vol in de belangstelling staan en die een manifestatie zijn van een systeem waarin beloningsimpulsen zitten voor de hoeveelheid output. Dat is niet de primaire taak van de wetenschap. Goede wetenschap wordt gediend door creativiteit en creativiteit kost tijd. Maar als je wetenschappers gaat beoordelen en belonen op de hoeveel pagina’s die ze schrijven., tja….dan gaan mensen zo veel mogelijk pagina’s produceren.  Zie ook de recente Nijkamp-affaire. We moeten weg van dit model en het begrip creativiteit en originaliteit weer centraal stellen. En daar hebben wetenschappers -tijd voor nodig. Die creativiteit en originaliteit is lastiger te meten, maar dat kan op zich geen argument zijn om de  primaire taak van de wetenschap los te laten. Deze omslag naar de beoordeling op creativiteit vereist dat een systeemtransitie waarbij alle betrokkenen(wetenschappers, financieringsorganisaties, politiek) hun rol herbezien. Dit gebeurt overigens ook al en  ik ben tamelijk optimistisch over de wijze waarop de discussie thans gevoerd wordt. Maar het heeft wel vrij ver moeten komen.

U bent professor. Welke bijdrage hoopt u (droomt u?) nog te leveren?

Ik denk dat mijn belangrijkste bijdrage ligt in de verspreiding van kennis, meer dan in het creëren van kennis. Een goed voorbeeld hiervan is het opzetten van een gratis online tekstboek over lange-termijn economische ontwikkeling in Afrika vanuit een historisch perspectief. Samen met collega’s uit mijn internationale netwerk probeer ik dit onder de aandacht te brengen van een nieuwe generatie Afrikaanse studenten. Dit soort initiatieven zullen een veel grotere maatschappelijke impact hebben, omdat grote groepen mensen nog steeds afgesloten blijven van de kennis die we produceren. Ik zie het dus als mijn taak om de kennis over economisch-historische ontwikkelingen zo breed mogelijk te verspreiden.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u? Waar denkt u aan?

Of ik kijk naar de training van mijn zoontje, of ik ben aan het hardlopen, maar ik denk waarschijnlijk wel aan mijn werk, want dat houdt me 24 uur per dag bezig.