ouderwetse poll

Stelt u zich een prototype econoom voor. Op welke partij gaat zij stemmen voor de gemeenteraadsverkiezingen? Die vraag is onzinnig – zo’n econoom gaat niet stemmen. Zelfs als het er om spant, zoals dit jaar in Amsterdam tussen D66 en de PvdA, is de kans verwaarloosbaar dat haar stem de doorslag geeft. Nederland telt nogal wat economisch denkenden, gezien de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen. In 2010 nam de helft van de kiezers niet de moeite om hun stem uit te brengen.

Stemmen is ook hopeloos ouderwets, zoals David van Reybrouck vorig najaar betoogde in ‘Tegen verkiezingen’. Van 17 miljoen mensen wordt verwacht dat zij vier jaar lang de besluitvorming volgen, opdat zij eenmaal het bolletje van hun keuze rood mogen kleuren. Terwijl we voor ieder dansje en elke mol op televisie kunnen stemmen, we gezamenlijk een Koningslied schrijven en dagelijks gepolsd worden over het aantal medailles dat Nederland had moeten winnen, proberen we onze directe omgeving in te richten door ons te bepalen tot één partijprogramma. Dat is alsof je op een package deal van 400 stellingen met ja of nee moet antwoorden – een begrafenis van een bekende ‘liken’ is nog genuanceerder.

De vraag waarom de helft van de mensen wel gaat stemmen is gerechtvaardigd. Overschatten ze hun kansen, zoals bij de aanschaf van een kraslot? Een iets minder cynische reden is dat zelfs economen wel eens naar het café gaan en zich daar tegenover vrienden moeten verantwoorden. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat “kunnen zeggen dat je gestemd hebt” inderdaad een zwaarwegende reden is om te gaan stemmen. Met een even grootschalig als vernuftig experiment tonen vier economen aan dat mensen er gemiddeld 5 à 15 dollar voor over hebben om dat te kunnen zeggen.

De onderzoekers verspreidden gericht 13500 folders in een Amerikaanse wijk, waarin bekend was welke huishoudens bij de voorgaande verkiezingen waren gaan stemmen en welke niet. Een deel van de folders kondigde aan dat er de volgende dag een onderzoeker langs zou komen met een vragenlijst van 10 minuten over stemgedrag. In sommige folders werd daarvoor 10 dollar beloofd, in andere niet. In de helft van de folders stond dat de survey maar 2 minuten zou duren als de deelnemer niet gestemd had.

Die laatste toevoeging geeft een stemmer een prikkel om te liegen; dan duurt het interview korter. Door in de willekeurig samengestelde foldergroepen te vergelijken of de deur openging en wat er geantwoord werd, konden de onderzoekers bepalen hoeveel geld men gemiddeld overhad om te kunnen zeggen gestemd te hebben. Van de nietstemmers beweerde 52 % wél gestemd te hebben. Met de folder over de kortere survey loog maar 41 %; de anderen gaven dus toe niet te hebben gestemd. Van de stemmers daarentegen loog maar 2 % meer dat ze niet hadden gestemd, als daardoor het interview korter duurde. Daaruit blijkt dat mensen graag zeggen dat ze gestemd hebben. Die conclusie controleerden de onderzoekers nog door één dag voor de verkiezingen de boodschap te verspreiden dat er iemand langs zal komen met vragen over stemgedrag. Inderdaad ging daardoor 1.3 procent meer mensen stemmen.

Is zo onze democratie nog te redden – door te dreigen met ondervraging? Misschien moeten we het onszelf nog lastiger maken, zoals Van Reybrouck voorstelt. Hij wil door loting laten bepalen wie volksvertegenwoordiger wordt. Een klein aantal kiezers krijgt daardoor gegarandeerd invloed, maar moet daar veel moeite voor doen. De blasé econoom neemt dat op de koop toe- als zij weet dat ze zich daarna in het café moet verantwoorden voor haar keuzes.