Europe_Flag_map_2

Ik was helemaal niet van plan om subsidie aan te vragen. Maar ja, we hebben “goud in handen”, aldus enkele hoogleraren. De meesten zijn inmiddels partner en schrijven mee aan een plan voor de genetische kliniek van de toekomst. In 2017 is het af. Tenminste, als ‘Brussel’ het financiert. En als de partners ook zo eensgezind blijven zodra het geld eenmaal binnen is.

 

Er is eindelijk weer Europees geld voor onderzoek. Op 11 december gaf de Europese Commissie het startschot voor haar nieuwe onderzoeksprogramma, met de veelbelovende naam ‘Horizon 2020’. Ruim 80 miljard euro heeft de Commissie ervoor opzij gezet. Daarmee zal Horizon 2020 bol staan van de doorbraken, ontdekkingen en ‘eerste-ter-werelds’, aldus de Commissie.

 

Een ‘eerste-ter-wereld’, dat lijkt ons wel wat. En met steun van een paar genetica-hotshots moeten we een eind kunnen komen. Maar het gros van Horizon 2020 lijkt helemaal niet gericht op grote ontdekkingen. Slechts 17% van het totale budget gaat naar baanbrekend onderzoek, in de vorm van subsidies voor individuele onderzoekers. Daarnaast is er nog 3,5% voor zogenaamde ‘future and emerging technologies’. Wie niet beter weet, krijgt de indruk dat een ‘eerste-ter-wereld’ vereist dat je óf een egotrippende autist bent, óf je inspiratie vindt in Star Trek.

 

De rest van Horizon 2020 is voor onderzoeksconsortia, die zich richten op innovatie, maatschappelijke uitdagingen, en training en onderwijs. Het creëren van zo’n consortium vereist nogal wat polderwerk. Een klinisch geneticus uit Cyprus, een hoogleraar uit Finland en een ethicus uit Groot-Brittannië doen inmiddels mee. Daarmee is het consortium nog lang niet compleet. Om een Brusselse ambtenaar te laten watertanden, moet zijn ook museumdirecteuren, beleidsadviseurs en CEOs uit Oostenrijk, Portugal en Duitsland nodig. En dan nog komen we drie landen te kort.

 

Een compleet consortium bestaat namelijk uit minimaal tien landen. En die doen niet mee uit liefdadigheid. Allemaal proberen ze een deel van de 1 miljoen euro te claimen. Bij gelijke verdeling van het volledige bedrag zou iedere partner dus €100.000 krijgen. Maar een project kent ook bijeenkomsten en workshops; totale kosten €200.000. Ten slotte moet er nog wat gereserveerd worden voor management en coördinatie. Uiteindelijk houdt iedere partner zo’n €70.000 over, oftewel een kwart promovendus.

 

Voor dat geld moet de partner een of meerdere onderdelen van het project uitvoeren, de zogenaamde werkpakketten. Ieder werkpakket heeft een aantal meetbare uitkomsten, de deliverables en milestones. Om kans te maken op toekenning, moeten de werkpakketten ambitieus zijn. Maar meten is ook weten; als de milestones eenmaal in het project staan, is er geen ontkomen meer aan.  Beweer je over 4 maanden een artikel af te leveren, dan moet dat artikel er ook in maand 4 zijn, anders word je gekort. Ervaren rotten in de subsidie-tango weten inmiddels precies hoe ze zoveel mogelijk geld binnen kunnen harken, zonder al te veel aan verplichtingen vast te zitten. De enige milestones waaraan zij zich verbinden, zijn degene die ze al gehaald hebben, of in ieder geval bijna. Veel projecten zijn daardoor geen zoektocht naar de ‘eerste-ter-werelds’, maar een marktplaats van stokpaardjes.

 

Wij van de genetische kliniek van de toekomst pakken het anders aan. We beginnen niet bij de verdeling van het geld, maar bij de inhoud. We verdelen het geld niet eerlijk, maar naar behoefte. Een klein project om te testen hoe we gegevens uit biobanken kunnen gebruiken in de kliniek van de toekomst. Of hoe genetische data het beste kunnen worden uitgewisseld. Geen grote doorbraken, maar misschien wel wat kleine stapjes richten 2020. Misschien heeft de Commissie daar wat aan.