Barbara-Vis

Barbara Vis studeerde economie en politicologie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze promoveerde in 2008 aan de Vrije Universiteit op de politiek van impopulaire veranderingen in de verzorgingsstaat, en is daar sinds 2013 hoogleraar politieke besluitvorming.

De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan in uw werk?

Dat was een paar maanden geleden. Ik had samen met een co-auteur een paper geschreven waarin we een stevig argument presenteerden. We ontvingen hierop het terechte commentaar dat, hoewel ons argument interessant en plausibel was, het nog onvoldoende onderbouwd was. Hier moesten we echt nog even goed voor gaan zitten, maar het paper is er een stuk beter door geworden.

Wat gaat u morgen doen? Heeft u er zin in?

Morgen geef ik aan het eind van de middag college aan 50 studenten. Zij leveren vanmiddag allemaal een opdracht in die ze tijdens het college in groepjes bespreken. Die opdrachten ga ik eerst nog bekijken, daar ben ik morgenochtend ook nog wel een uur of twee mee bezig. Daarnaast heb ik morgen nog een bespreking met een promovenda en woon ik een stafseminar bij. Daar verheug ik me op want een collega gaat daar uitleggen hoe je nulresultaten gepubliceerd krijgt, bijvoorbeeld als je een verondersteld verband tussen twee variabelen niet in je data hebt aangetroffen.

Ik ga altijd met plezier naar mijn werk, maar ik doe wel aan agendabeheer om te zorgen dat het leuk blijft. Dat betekent dat ik ruimte inplan voor dingen die ik echt voor mezelf doe, zoals schrijven aan een paper. Anders kom ik er aan het eind van de week wel eens achter dat ik alleen maar met afspraken en administratieve zaken bezig ben geweest.

Waar gaat uw volgende publicatie over?

Over een van de condities waaronder politieke partijen bereid zijn om riskante keuzes te maken, hun aspiratie om in de regering te komen. Partijen die in de regering zitten zullen niet geneigd zijn om in hun partijprogramma voor de volgende verkiezingen grote veranderingen op het gebied van bijvoorbeeld integratie of milieu op te nemen. Terwijl partijen die in de oppositie zitten dat mogelijk wel doen, ze hebben immers bij de vorige verkiezingen iets niet goed gedaan.

Wat betreft de geneigdheid om te veranderen hangt het er bij oppositiepartijen wel vanaf of ze ook in de regering willen zitten. Een partij als de SGP heeft een geringe kans om in de regering te komen, en is daarom niet teleurgesteld om in de oppositie te zitten. Ze ervaren geen prikkel om hun positie aan te passen. Als het CDA daarentegen in de oppositie zit, verwacht je meer riskante keuzes omdat ze iets hebben verloren, ze presteren onder hun aspiratieniveau: deel uitmaken van de regering. En het is ook nog eens zo dat partijen naarmate ze vaker aan de regering hebben deelgenomen een grotere aspiratie hebben om in de regering te komen.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt, of methodes die u gebruikt?

Bij de vraag wanneer regeringen bereid zijn om impopulaire veranderingen toe te passen op de verzorgingsstaat zijn in het verleden vooral de instituties van landen waarin dit wel gebeurde vergeleken met die in landen waarin dit niet gebeurde. In mijn promotieonderzoek ben ik juist gaan kijken naar hoe regeringen binnen een land daar al in kunnen verschillen. Het bleek namelijk dat zelfs met dezelfde instituties, bijvoorbeeld twee regeringen bestaande uit dezelfde partijen, de ene regering wel en de andere niet bereid is om impopulaire maatregelen te nemen. Op basis van deze benadering ben ik verder onderzoek gaan doen, en ik zie tot mijn plezier dat ook andere onderzoekers deze benadering zijn gaan toepassen.

Ook kijk ik naar wat de condities zijn voor het nemen van risico door individuele politici, politieke partijen en regeringen. Deze drie niveaus van actoren bestudeer ik tegelijkertijd, dat is nog niet eerder gebeurd. Ik ben erg benieuwd of ik een algemene theorie kan vinden die voor alle niveaus geldig is.

Ten slotte houd ik me ook bezig met het gebruik van een groot scala aan verschillende methodes, bijvoorbeeld kwalitatieve en kwantitatieve methodes en case studies. Het doel daarvan is om bij elke onderzoeksvraag de juiste methode te kunnen toepassen.

Waarvan ziet u dat het mensen belemmert, wat moet er veranderen in de wetenschap, en heeft u tips?

De huidige publicatiedruk levert een verkeerde prikkel op, waardoor onderzoekers soms artikelen schrijven die kwalitatief beter hadden gekund en deze indienen bij journals die relatief lage eisen stellen. Ik denk echter wel dat er op het moment een kentering gaande is, en ik hoop op een verschuiving van publicatiegedreven naar nieuwsgierigheidgedreven onderzoek.

Daarvoor moeten er natuurlijk wel voldoende middelen beschikbaar zijn. Dat blijft lastig. De druk om geld te verwerven voor onderzoek neemt steeds meer toe. Omdat vrijwel alle onderzoekers hiermee te maken hebben, wordt de concurrentie om een beurs binnen te halen alleen maar zwaarder. Dit levert onderzoekers extra werkdruk op.

U bent nu professor. Welke bijdrage hoopt u nog te leveren?

Ik zou graag mijn kennis over riskante besluitvorming delen met een breder publiek, dat daardoor de keuzes van politici en regeringen beter leert begrijpen. Met een collega ga ik ons wetenschappelijk boek over de verzorgingsstaat bewerken voor een breder publiek.

Verder merk ik gelukkig altijd dat het onderzoek dat ik doe meer vragen oplevert dan het beantwoordt, dus voorlopig heb ik nog meer dan genoeg werk te doen.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u? Waar denkt u aan?

Na de lunch slaapt mijn dochtertje van twee altijd nog even, en daarna gaan we met haar naar het bos of de kinderboerderij. Ik probeer dan aan niks te denken. Het is een gezellige tijd voor het gezin.