OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Afgelopen zaterdag stelde sciencepalooza auteur Koen Beumer in de Volkskrant de vraag wat een promovendus nu eigenlijk voor nuttigs leert. Innovatiewetenschapper Frank van Rijsnoever, denkt het antwoord te hebben; promovendi moeten de ivoren toren uit en hun hersenen ter beschikking stellen aan het bedrijfsleven.

Koen Beumer stelt terecht aan de orde dat een promotie vaak slecht aansluit op de niet-academische arbeidsmarkt. Dit is niet alleen een probleem voor de promovendi zelf, maar ook voor de samenleving. Veel wetenschappelijke inzichten die tijdens een promotietraject ontwikkeld worden verschijnen enkel in wetenschappelijke tijdschriften die gelezen worden door andere wetenschappers. Hierdoor blijft de maatschappelijke investering in kennis (zo’n 2 tot 3 ton per promotietraject) onderbenut. De oplossing voor beide problemen ligt zeer voor de hand: Laat promovendi naast hun werk aan de universiteit ook één of twee dagen per week bij een bedrijf of maatschappelijke organisatie aan de slag gaan.

Voordelen

Deze oplossing kent voordelen voor iedereen. Ten eerste hebben promovendi baat bij het werken buiten de universiteit. Universiteiten zijn heel goed in het creëren van menselijk kapitaal door masteropleidingen en promotietrajecten. Echter het ontbreekt vaak aan belangrijke vaardigheden en aan een goed netwerk. Beiden zijn nodig om succesvol te zijn op de arbeidsmarkt. Universiteiten proberen deze gebreken te ondervangen door ad-hoc trainingen en workshops aan te bieden. Dit werkt echter alleen als je die vaardigheden ook toepast. Dat toepassen kan het beste in een omgeving waar die vaardigheden ook relevant zijn, en dat is buiten de universiteit.

Ten tweede zijn er maatschappelijke baten. De beste overdracht van kennis tussen universiteit en samenleving vindt plaats via menselijk kapitaal. Mensen zijn een veel efficiënter medium om kennis over te dragen dan geschreven artikelen of rapporten. Dit komt omdat veel kennis zich niet laat opschrijven, maar verborgen zit in handelingen. Ook kan iemand die wetenschappelijk opgeleid is nieuwe problemen oplossen door analytisch te denken. Daarmee is menselijk kapitaal een betere methode voor kennisbenutting dan alle valorisatiepanels en beleidsworkshops waar ik als wetenschapper voor wordt uitgenodigd.

Deze oplossing is ook interessant voor universiteiten. Innovatieonderzoek laat consistent zien dat samenwerking met andersoortige organisaties betere, nieuwere en originelere ideeën oplevert. De contacten die de promovendus opdoet buiten de universiteit kunnen aangewend worden om het onderzoek inhoudelijk te versterken, maar ook om toegang te krijgen tot extra faciliteiten, financiering of data.  Hiermee kunnen universiteiten hun eigen onderzoeksagenda en onderwijsprogramma’s versterken.

Ten slotte hebben bedrijven baat bij deze oplossing. Niet alleen zitten zij structureel op de eerste rij bij het vergaren van nieuwe wetenschappelijke kennis. Ook hebben zij toegang tot het menselijk kapitaal dat nodig is om de onderneming succesvol te houden. Dit is een belangrijke reden voor grote bedrijven om mee te doen met publiek-private onderzoeksprogramma’s.

Mogelijke problemen

Natuurlijk kent deze oplossing ook mogelijke problemen, maar deze zijn te overzien. Een eerste probleem is dat het onderzoek wetenschappelijk minder relevant kan worden. Deze klacht is slechts ten dele waar, omdat er ook nieuwe inzichten ontstaan. Het probleem is veel meer dat een universitaire onderzoeker op zoek naar geld niet altijd het onderzoek kan uitvoeren dat hij of zij relevant vindt, maar dat kan nu ook vaak niet meer. Het is wel belangrijk om ook onderzoek te blijven uitvoeren waarin deze vrijheid wel bestaat (het zogenaamde fundamentele onderzoek). Daarom is het verstandig om niet alle promovendi naar buiten te sturen. Hoeveel hangt sterk af van het vakgebied en het type onderzoek dat men uitvoert.

Een tweede probleem is tijdsdruk. Promovendi hebben maar vier jaar de tijd om tot een proefschrift te komen; beknibbelen op tijd zou leiden tot minder kwaliteit. Dit argument is slechts ten dele waar. Het blijkt vaak dat het weinig efficiënt is om promovendi vier jaar op een probleem te laten  broeden. Vaak weet men niet welke richting. Door taken meer af te wisselen leren promovendi beter om te gaan met hun tijd. Dit effect wordt versterkt door vaardigheden als timemanagement die buiten de universiteit worden opgedaan en door de interactie met andere partijen. Ook heeft men toegang tot hulpbronnen die het onderzoek kunnen bespoedigen, zoals goede data. Ik beweer zeker niet er geen  extra tijdsdruk is, maar ik denk dat het probleem meevalt.

Ten slotte bestaat het gevaar dat universitair onderzoek niet meer als onafhankelijk wordt gezien. Dit probleem ligt op de loer bij iedere onderzoeker die interacteert met de samenleving. Het is nu ook lang niet altijd helder wanneer wetenschappers feiten of meningen presenteren (dit stuk is een mening gebaseerd op wetenschappelijke inzichten) of welke (financiële) belangen achter een uitspraak zitten (ik word door NWO en de EU gefinancierd). De oplossing ligt bij wetenschappelijke integriteit vanuit de universiteit.

Hoe dit te doen?

Het laten werken van promovendi buiten de universiteit sluit aan bij het Topsectorenbeleid van de overheid. Hierbij wordt gezocht naar aansluiting met het bedrijfsleven. Echter, de tijd die nu geïnvesteerd wordt in valorisatieworkshops,  kennisbenuttingscongressen, schrijven van rapporten etc. kan beter worden besteed aan de uitwisseling van menselijk kapitaal. Dan heeft de promovendus er ook wat aan en komt de interactie tussen universiteit en samenleving past echt op gang.

 

Frank van Rijnsoever is innovatiewetenschapper  aan de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar de interactie tussen universiteit en samenleving.