ripples

“Hee, spring eens even op en neer? Dan begint mijn dag tenminste goed.”

Die opmerking kreeg ik naar mijn hoofd toen ik op een ochtend in een spaghettibandjesshirt in het lab stond. Ik reageerde er niet op, maar ik weet niet meer of dat kwam omdat ik nog geen koffie achter de kiezen had, of omdat ik er inmiddels aan gewend was. Dit soort commentaar is de background noise van het vrouw-zijn, en verdwijnt al snel tussen het alledaagse rumoer.

Toch moest ik er laatst weer aan denken, toen ik hoorde van het vertrek van Bora Zivkovic, tot die tijd webredacteur bij Scientific American en geliefd wetenschapsblogger. Hij bleek weinig onderscheid te kunnen maken tussen ‘mogelijke bedpartners’ en de jonge, overwegend vrouwelijke, wetenschapsjournalisten die hij op weg hielp in hun carrière. Eén van hen zette onlangs het verhaal van zijn ongewenste avances op haar website, en in no-time bleek dat ze niet alleen was. De ene na de andere collega schreef over Zivkovic’ transgressies — extra pijnlijk vanwege het niet te ontkennen schrijftalent van de vrouwen in kwestie.

Er volgde ook bijval van vrouwen die Zivkovic niet kenden, maar die hun eigen ervaringen hadden met ongewenste seksuele toenadering. De meesten van hen waren wetenschappers of wetenschapsjournalisten, maar het lijdt geen twijfel dat dit soort verhalen ook ruim buiten de wetenschap bestaan. Toch praten we er nauwelijks over: het gaat immers (doorgaans) niet om aanranding of verkrachting, maar om ‘losse’ opmerkingen, blijk van seksuele interesse — dat is toch een compliment? Daar moet je toch tegen kunnen?

Wie deze mening is toegedaan raad ik aan om de verhalen te lezen. De crux is namelijk dat juist dit soort opmerkingen behoorlijk ontwrichtend kunnen werken, juist omdat het ambigu is. Zei hij dat nou echt? Hoorde ik dat goed? En waar gaat het hem eigenlijk om? Nam hij mij aan om mijn professionele kunnen, of omdat ik er leuk uitzie met een rokje aan?

Die twijfel is het probleem. De vraag in je achterhoofd, waardoor je niet meer zeker kunt zijn dat de aandacht die jouw werk krijgt ook daadwerkelijk erkenning is voor je prestaties. Die twijfel is dodelijk, en werkt verlammend.

De grote sekseongelijkheid op topniveau is, ook in de wetenschap, nog steeds een hoofdpijnpunt. Een collectieve bewustwording van de alomtegenwoordigheid van dit soort intimidatie is dus geen overbodige luxe. Niet alleen om ons te realiseren wat voor effect ‘onschuldig flirten’ kan hebben, maar ook om de klachten van de ontvangers van dit soort ongewenste aandacht, als ze ondanks alles naar voren komen met hun verhaal, serieus te nemen. Minder twijfel betekent meer vooruitstreven, en meer succes; kortom, meer vrouwen op hoge niveaus.

En dat brengt mij bij een vraagstuk waar ik al tijden mijn hoofd over breek. Als twijfel komt door de suggestie dat je lichaam, niet je werk, een rol heeft gespeeld bij het krijgen van hulp, een positie, of een promotie — hoe zit het dan met beurzen die alleen voor vrouwen zijn? Zijn die niet deel van hetzelfde probleem? Daar is immers zeer openlijk sprake van seksediscriminatie: het zijn carrièreopties die alleen toegankelijk zijn voor vaginahouders.

Toegegeven, een winnares van, bijvoorbeeld, een For Women In Science beurs zal weinig reden hebben om te twijfelen aan haar academische capaciteiten. En de winnaressen van nu zijn deel van het voorbeeld voor de toekomstige wetenschappers (m/v). Het is dus heel goed mogelijk dat dit soort initiatieven wel degelijk hun bijdrage leveren aan de toekomstige oplossing van het sekseprobleem. Toch spelen ze tegelijkertijd ook hun rol in het vasthouden van de stereotypen. Aan het beeld dat vrouwen een ‘extra hulpmiddel’ nodig hebben om een toppositie te bereiken. Aan de twijfel die daarmee gepaard gaat.

Ik ben wetenschapper. Geen vrouw-in-de-wetenschap. En zo zou ik mijn carrière op moeten kunnen zetten. Ergens komen dankzij het feit dat ik een vrouw ben zou net zo afgekeurd moeten worden als mijn hoofd stoten tegen een glazen plafond. Als samenleving moeten we harder werken om mensen op hun capaciteiten te beoordelen, niet op hun geslachtsorganen. We zijn er nog lang niet.

 

Plaatje boven: Rudy Salakory op flickr (creative commons).