winners-podium-2-1038332-m

Enkele weken geleden ontvingen alle medewerkers van de Rijksuniversiteit Groningen, van practicum-assistent tot manager, van administratief medewerker tot hoogleraar, een e-mail van het universiteitsbestuur met felicitaties. De reden? De Universiteit Groningen stond genoteerd in de top-100 van de drie belangrijkste universitaire rankings. Niet alleen in Groningen werd er gejuicht: alle Nederlandse universiteiten scoorden goed in die ranglijstjes. Ook medewerkers van de Universiteit Utrecht kregen een vergelijkbare e-mail, waarin natuurlijk werd aangestipt dat Utrecht de beste universiteit in Nederland is. Zo had iedere universiteit in Nederland een reden om blij te zijn met haar positie: beter dan vorig jaar, beter dan die andere universiteit in Nederland, eindelijk bij de top-100, enzovoorts. Het regende een week jubelende persberichten. Maar wat zeggen al die ranglijsten nou eigenlijk? Wat wordt er gemeten? En wat doet het er eigenlijk toe?

Belangrijke rankings
De “drie belangrijkste rankings” waar de bestuurders van de RUG naar verwezen, zijn de Academic Ranking of World Universities (ARWU), de Times Higher Education World University Rankings (THE-WUR), en de QS University Rankings. Er zijn er nog meer, maar die zijn volgens de RUG dus minder belangrijk (dat de universiteit daar niet in de top-100 voorkomt telt wellicht mee).

Wat er precies gemeten wordt is per ranglijst verschillend en vrij complex. De ‘output’ van een universiteit (onderwijs en onderzoek) omzetten in nummertjes is niet eenvoudig. De ARWU kijkt onder andere naar het aantal winnaars onder afgestudeerden van belangrijke prijzen zoals de Nobelprijs; het aantal huidige medewerkers met zo’n prijs; en het aantal Nature en Science-papers door medewerkers. Een gemiddelde van die uitkomsten is dan de ‘score’ van die universiteit. De Times Higher Education kijkt ook naar onderwijs, en geeft daar meer waarde aan dan de ARWU, maar kijkt vervolgens ook naar inkomens uit de industrie. Uiteindelijk blijken het subtiele meetverschillen te zijn, want veel ranglijsten laten een vergelijkbaar patroon zien. De Ivy League Universiteiten in de VS, (zoals Harvard en Yale), MIT en Stanford, scoren altijd hoog, net als Cambridge en Oxford University in Engeland het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse Universiteiten scoren vaak rond de 100, net erboven of net eronder. Op een totaal van meer dan 9000 universiteiten wereldwijd lijkt me dat een goede score: de ranglijsten nemen een maximum van 400-500 universiteiten mee, dus alleen vóórkomen in zo’n lijst is al een nette prestatie.

Self-fulfilling prophecies
Wetenschappers halen vaak hun schouders op bij de meldingen over die universitaire rankings, zij weten zo ook wel dat op Harvard toponderzoekers rondlopen. Maar sinds (financieel) managers, die van getalletjes en kwantificeren houden, de universiteiten bevolken en grotendeels besturen, worden de ranglijsten steeds belangrijker. Ooit begonnen als wedstrijdje tussen topuniversiteiten onderling, lijken de ranglijsten een doel op zich te zijn geworden.

Binnen Nederland doen de universiteiten nogal pocherig over hun ranking: “de derde universiteit in Nederland”,  “vorig jaar nog onder Leiden, maar nu hoger”, iedere universiteit wil beter zijn dan een andere universiteit in Nederland. Het zijn net, om een collega te citeren, kleine jongetjes die een wedstrijdje doen wie het verste kan plassen. Want wat maakt het uit, of een universiteit op plaats 82 of 93, of 110 staat? Helemaal niets, Nederlandse Universiteiten behoren over het algemeen tot de top-150 universiteiten in de wereld en zijn dus gewoon erg goed. Wereldwijd zijn er natuurlijk grote verschillen tussen universiteiten, die inderdaad aan het licht kunnen komen in dergelijke ranglijsten. Maar tussen Nederlandse universiteiten zijn die verschillen er nauwelijks. Nederlandse scholieren vinden de ranglijsten al helemaal niet belangrijk, zij kiezen hun studie liever op inhoud en aantrekkelijkheid van een stad, dan op de plek in een ranglijst.

Het einde van de rankings?
Een jaar geleden kondigde een aantal (goede) Duitse universiteiten aan dat ze niet meer opgenomen wilden worden in dergelijke ranglijstjes. Ze vinden dat de kwaliteit van onderwijs en onderzoek op andere manieren beter gemeten kan worden. Terecht, vind ik, want maakt het voor een student echt zoveel uit dat jouw universiteit niet zoveel Nobelprijswinnaars heeft voortgebracht, als je een bevlogen docent voor je hebt staan die je enthousiast kan maken voor zijn vakgebied? En wat heeft een jonge onderzoeker aan een hoogleraar die wel aan de lopende band Science- en Nature-artikelen publiceert, maar daardoor nooit bereikbaar is voor begeleiding van een onderzoeksproject?

Ik hoop dat ook Nederlandse hoogleraren, en uiteindelijk ook universiteitsbestuurders, de ranglijstjes wat meer links laten liggen, en focussen op wat een universiteit goed maakt: onderwijs en onderzoek. Het wordt tijd om in te zien dat ze een beetje te oud zijn voor wedstrijdjes verplassen.