monarchs3

Op een koele winterochtend struin je door het bos op een bergtop in Mexico. Om je heen dwarrelen ontelbare rossige vormen door de lucht — herfstblaadjes? Nee, het zijn vlinders. En als je ze opmerkt, zijn ze ineens overal: bij iedere voetstap is het oppassen geblazen — je zal maar zo’n prachtig exemplaar verpletteren. Ze hangen aan bomen in trossen, het groen zo in een oranje gloed veranderend. Het is een magnifiek gezicht, en een unieke ervaring. Massaal zijn de Monarchvlinders naar deze bergtop gekomen, maar hoe ze elkaar daar gevonden hebben is nog steeds een raadsel. Hoewel — dit jaar zijn we weer een stapje dichterbij een antwoord.

De trek van de Monarchen heeft altijd al tot de verbeelding gesproken. Waar je in de winter naar Mexico moet om een Monarch te bewonderen, kun je ze in de zomer tot in Canada vinden. Geen enkel insect legt grotere afstanden af: in een jaar tijd verplaatst een populatie zich heen en terug over een afstand van 4000 km. Het duurde dan ook meerdere decennia voor wetenschappers, met de hulp van duizenden vrijwilligers, de routes wisten te traceren die de vlinders aflegden. Pas in 1975 werden de massale winterschuilplaatsen in Mexico ontdekt, maar dat riep juist nog meer vragen op.

Want hoe weten de vlinders waar ze heen moeten? Van leren is geen sprake: het is zelfs zo dat één vlinder nooit de hele trek aflegt. De overwintering in Mexico eindigt in een paarseizoen, en in totaal zijn er tot wel vier generaties nodig om naar het noorden te komen. Dan moeten de vlinders nog terug: dat doen ze wél in één generatie, die heel exact de weg weet te vinden van een uitgebreid scala aan locaties in Noord Amerika, naar een paar afgelegen, geïsoleerde bergtoppen in de Sierra Madre.

Juist die enorme precisie in het vinden van hun eindbestemming fascineerde Henrik Mouritsen, bioloog aan de Universiteit van Oldenburg. Hij vroeg zich af hoe goed de navigatie van de vlinders nu écht was — vlogen ze gewoon min of meer de goede kant op, of konden ze zich ook onderweg oriënteren, en indien nodig hun vliegrichting bijstellen? Hij stelde de vlinders op de proef: bij Ontario ving hij vlinders, stopte ze in grote kooien, en reed 2500 km westwaarts, naar Calgary. Als de vlinders een soort intern kompas bezaten, zouden ze na deze enorme omweg hun vliegrichting aanpassen om toch nog naar Mexico te vliegen. Maar toen hij in Calgary keek in welke richting de dieren vlogen, bleken ze nog steeds precies zo georiënteerd als in Ontario. Mouritsen hield het erop dat de vlinders weliswaar een richtingsgevoel hadden, maar geen kompas waarmee ze ook zichzelf konden oriënteren.

Zijn resultaten werden gepubliceerd in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift PNAS. In datzelfde tijdschrift verscheen onlangs echter ook kritiek: volgens biologe Karen Oberhauser was Mouritsen iets te rap geweest met zijn conclusies, en had hij niet zomaar het idee van de Monarch als “echte navigator” mogen verwerpen. Mouritsen beargumenteert echter dat de simpelste verklaring voorrang heeft: na zijn onderzoek is er geen reden om te denken dat de navigatie van de vlinder zo complex is. Een goede startrichting, met eventuele correcties bij bijvoorbeeld bergen en water, zou genoeg moeten zijn.

Oberhausers kritiek leest zo bijna als een kreet van teleurstelling: alsof de vondst dat de Monarch zich niet kan oriënteren een deel van de mystiek heeft weggehaald. De bezoeker aan de overwinteringsgronden zou erom lachen: het idee dat de Monarchvlinder mystiek nodig heeft!

 

Plaatje boven: door K Schneider op Flickr (licentie CC BY-NC 2.0).