irenetieleman2

Het is inmiddels al weer een paar maanden geleden: op een mooie ochtend in mei sprak sciencepalooza met Irene Tieleman, hoogleraar dierenecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, en lid van de Jonge Akademie. Net terug van veldwerk in Kenia maakte zij zich op voor alweer de volgende expeditie: het Drents-Friese Wold.

 

Wat gaat u morgen doen, en heeft u er zin in?
Morgen? Ja, daar heb ik zeker zin in. Het is nu natuurlijk broedseizoen, dus voor ecologen is het tijd om buiten te zijn! Morgen gaan we proberen om de eerste veldleeuweriken te vangen, om ze uit te rusten met loggertjes. We werken aan veldleeuweriken in het Drents-Friese Wold, nu al bijna 10 jaar, en we hebben ontdekt dat maar een deel van onze vogels in de winter hier in de buurt blijft, op de omliggende landbouwgronden, en een deel naar het zuiden trekt. Vorige week hoorden we toevallig van de eerste van onze geringde vogels die in Frankrijk met de kerst is doodgeschoten. We weten nu dat dit ene exemplaar, van de duizenden vogels die we geringd hebben, ergens 100 km ten noorden van Bordeaux zijn winter heeft doorgebracht. We hadden al wel observaties van vogels die over België trokken, die daar gevangen zijn tijdens de trek, maar dit is de eerste waarvan we echt midden in de wintermaanden een melding hebben.
Uit dat onderzoek hebben we ook ontdekt dat hun keuze, dus of de veldleeuwerik wegtrekt of juist hier blijft, gerelateerd is aan de kans dat ze overleven, en hoe gezond ze zijn. Dat gaan we nu in meer detail uitzoeken: we hebben een pilot-experiment dit jaar waarin we twintig veldleeuweriken met loggertjes uitrusten, zodat we kunnen zien welke vogels tijdens de winter hier zijn geweest en welke naar het zuiden zijn gegaan. Als dat experiment lukt dan willen we het natuurlijk uitbreiden naar een veel groter project. Morgen hopen we de eerste vogels daarvoor te vangen, en ze de loggertjes om te doen — het zijn een soort rugzakjes die ze dan op krijgen.

U bent nu professor. Welke bijdrage hoopt u nog te leveren in de rest van uw carrière?
De rest van mijn carrière? Die is hopelijk nog heel lang! We zijn nu bezig met een heel intensieve samenwerking met microbieel ecologen. Met zijn allen, vogels en mensen, leven we namelijk in een wereld die eigenlijk gedomineerd wordt door bacteriën en schimmels, maar die zien we niet en kennen we niet. De microbieel ecologen zijn inmiddels in staat om in veel meer detail die microbiële wereld te beschrijven, dus we kunnen gaan onderzoeken wat precies de interacties zijn tussen mensen en schimmels en bacteriën — en in mijn geval vogels en schimmels en bacteriën. Dat is het grote plan, voor de komende vijf jaar in ieder geval. Verder dan dat heb ik nog niet gepland, want ik heb ook geleerd dat je altijd onverwachte dingen tegenkomt, en hele onverwachte richtingen uit kunt gaan.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt of de vernieuwende methodes die u gebruikt? Ofwel: hoe draagt u bij aan innovatie in uw vakgebied?
Het is inderdaad hartstikke nieuw om te kijken naar de interacties tussen de zogenaamde ‘hogere’ organismen, en microben — dus schimmels en bacteriën. De vernieuwende methoden zitten dan vooral aan de kant van al dat kleine grut, want met DNA technieken die steeds sterker worden kunnen we steeds meer in kaart brengen, we kunnen inmiddels alles sequencen. De volgende stap is natuurlijk om daar dan ook nog weer wat functioneels van te maken, en te begrijpen wat die lettertjes betekenen.

De titel van onze serie is “De Jonge Akademie over de knie”. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan in uw werk?
Bedoel je dan over de knie gelegd, of over de knie gelegd en vervolgens op je kont getimmerd? Dat zijn nog wel twee verschillende dingen. Het eerste wat in me opkomt is dat het laatste stuk dat we hebben opgestuurd naar een tijdschrift terug is zonder dat het überhaupt naar referenten is gestuurd. Daarbij realiseer je je hoe belangrijk het is — want dat hadden we niet gedaan — om helder aan te geven waarom juist dát tijdschrift zo geschikt was voor dit stuk. Dat stuk gaan we nu toch maar naar een ander tijdschrift sturen; ik ben niet zo van het strijden met een redactie.

Waar gaat die publicatie over?
Dat artikel gaat over hoe het afweersysteem van vogels door het jaar heen varieert; voor vogels die in de tropen leven, of in gematigde streken, of op continentaal gebied. We hebben ook kruisingen van die vogels gemaakt, dus we weten ook wat over de genetische componenten van die jaarcycli. Een aantal onderdelen van het afweersysteem — want dat kan je opsplitsen — is vrij rigide genetisch bepaald, en een aantal onderdelen is heel flexibel, en kan ook door de omgeving worden beïnvloed. We doen dit werk ook in veldleeuweriken, maar dit specifieke artikel gaat over de roodborsttapuit.

Waarvan ziet u dat het uw lab, of uzelf, belemmert in hun wetenschappelijk werk? Wat moet er veranderen in de wetenschap?
De wetenschap is op dit moment tamelijk overspannen. Gedreven door hypes en door een heel bedrijfsmatige cultuur van onder druk op korte termijn grote uitspraken doen. Dat is volgens mij een hele verkeerde trend. Wat enorm ontbreekt is tijd voor rust en reflectie. Zeker in de ecologie is dat erg belangrijk! Al dat lange-termijnonderzoek staat zo enorm onder druk: door de manier waarop de wetenschap gefinancierd wordt, en door de manier waarop de waardering uitgedeeld wordt. Die is er op dit moment helemaal niet voor gedegen lange-termijnonderzoek, terwijl dat wel de kracht is, waarin ook de belofte voor de toekomst zit. Juist daar moeten we op inzetten.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u en waar denkt u aan?
Aanstaande zaterdagmiddag slenter ik langs de Drentsche Aa met mijn nichtje van drie. En dan denk ik nergens aan behalve aan alles wat zij tegenkomt, en wat we samen tegenkomen. Bijvoorbeeld: hoe sterk twee mieren zijn als ze een takje kunnen dragen dat minstens drie keer zo groot is als één zo’n mier! Dat was haar observatie van vorige week. We kwamen een mierenhoop tegen, en ze was gefascineerd: wat zijn die mieren sterk!