Calligrafie,

Veel is onzeker in de wetenschap. Onderzoek zit vol met aannames, kansen, en onduidelijkheden. In de wetenschappelijke literatuur is daar weinig van te merken. Onderzoeksartikelen hebben vaak een pakkende titel, impliciete aannames worden nauwelijks beschreven, en de conclusies zijn helder. Het systeem waarin de wetenschappelijke literatuur is opgebouwd – met machtige uitgeverijen, impact factors en auteursposities - laat weinig ruimte voor onzekerheden en nuances. Dat kan en dat moet anders.

Quotum
Ideeën om de publicatiemolen aan te passen duiken regelmatig op, met name naar aanleiding van fraudeschandalen. Vorige week pleitten universitair docenten Vincent Crone en Linda Duits voor een quotum op het aantal wetenschappelijke publicaties. ‘Om de kwaliteit van wetenschap te verhogen, hoor,’ haastten ze zich te vermelden, maar stiekem ging het hen vooral om meer aandacht en waardering voor onderwijstaken. Twee weken eerder liet de Utrechtse communicatiewetenschapper Daniel Janssen een soortgelijke uitspraak optekenen. ‘Plaats alle wetenschappers op rantsoen’, stelt hij voor, ‘maximaal twee keer per jaar een artikel.’ En uit het niets was daar ook ineens Chris Chambers, die een pre-registratie-systeem voor onderzoek voorstelt, net als dat nu bestaat voor medicijnontwikkeling. Tijdschriften leggen zich vooraf contractueel vast tot publicatie van onderzoeksresultaten, ongeacht hun impact.

Gepubliceerd onderzoek is af. En waar.
Het uitgangspunt bij deze en andere ideeën is dat een wetenschappelijke publicatie het absolute eindpunt is. Een artikel – liefst in een tijdschrift met hoge impact-factor - vormt de kroon op het onderzoek, is de veronderstelling. Publicatie ervan maakt het onderzoek af, klaar, finaal. De onderzoeker kan oogsten – geld, presentaties en punten voor de H-index - en maakt zich op voor de volgende publicatie, zonder omkijken.

In werkelijkheid geeft een artikel slechts de tussenstand. Na de eerste minuut. En eigenlijk ook alleen de score van de thuisploeg. Het is een beperkte selectie uit de gevonden resultaten van een onderzoek naar de werking van DNA, een taal of een organisatie. De resultaten gelden vaak alleen binnen de gekozen onderzoeksopzet, en zijn moeilijk te extrapoleren naar algemeen geldende principes. Slechts zelden ontketent een publicatie een revolutie binnen het betreffende onderzoeksveld, laat staan binnen de wetenschap als geheel. Of zelfs in de samenleving. Het gros van het gepubliceerde onderzoek is dus niet af, en roept meestal meer vragen op dan het beantwoordt. Een artikel zou dan eigenlijk het startpunt moeten zijn van wetenschappelijke discussie – een springplank voor nieuwe ideeën – maar dat is het vaak niet.

Wetenschappers weten dat het artikel niet het eindpunt is, maar moeten nét doen alsof. Een artikel vol met nuances en kanttekeningen is minder geliefd bij de tijdschriften dan een met heldere, nieuwswaardige conclusies. En dus gaan wetenschappers op zoek naar vette oneliners, en maken ze soms gekke sprongen om de gewenste resultaten te verkrijgen. Het beeld van de wetenschapper als frauderende, machtsbeluste bedrijfsmarionet is dan snel gevormd, hoewel onterecht. En dus wordt de oproep om die wetenschappers eens flink aan banden te leggen met gejuich ontvangen. Enkele uitgeverijen experimenteren bijvoorbeeld met het pre-registratiesyteem van Chris Chambers.

En binnen de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) wordt vast al nagedacht over een publicatielimiet per gefinancierd project. NWO – de belangrijkste financier van wetenschappelijk onderzoek in Nederland – neemt daarmee steeds meer de positie van scherprechter in, terwijl ze er eigenlijk is om de wetenschap te dienen. Veel beter zou het zijn als NWO – of nog beter, de samenwerkende Europese onderzoeksfinanciers, verenigd in EUROHORCS - steun zou bieden. Onderzoekers belonen op hun inzet om data beschikbaar te stellen in plaats van op hun lijst met publicaties zou een goede eerste stap zijn. Maar die data-deel-inzet is moeilijk te meten, en niemand werkt aan een methode om dat wel te kunnen doen.

Wetenschappers zouden eigenlijk minder tijd moeten kunnen besteden aan het verfijnen en opkloppen van artikelen, en veel meer in het genereren van ideeën en het écht delen van kennis. Alleen dan komt het belangrijkste middel in de wetenschap – discussie – terug aan de basis van kennisvergaring. Natuurlijk kunnen wetenschappers dan nog steeds hun bevindingen en gevolgtrekkingen samenvatten en ter tafel leggen. Maar een goede wetenschapper schrijft geen artikelen.