Bratwurst

De afgelopen week bracht ik door in een Beiers nieuwbouwkasteel, een buitenissig conferentieoord van het Max Planck Instituut. Vijfendertig economen en biologen bogen zich daar over het evolutionaire perspectief op ons economische gedrag. Waarom eten we te veel zoet, vet en zout? Onder welke omstandigheden zijn we bereid iets op te offeren voor het welzijn van een ander? Hoe ver in de toekomst mag een beloning liggen?

Tijdens de theoretische discussies ontwikkelde zich buiten de kasteelmuren een prachtige praktijkstudie rondom die vragen. Terwijl de kasteelheer in Lederhosen rondliep en Schweinebraten serveerde – in Beieren zijn alle cliché’s waar- werd het levensgeluk van het Duitse plofvarken bezegeld. De prijs voor dat geluk raakt de gemiddelde Duitser in zijn buik, want hij eet 39 kilo varkensvlees per jaar.

In Nederland introduceerde de Dierenbescherming in 2007 een welzijnssysteem voor de dierhouderij. Op vleesverpakkingen in de supermarkt staan nul tot drie sterren afgedrukt, die de mate van dierenwelzijn weerspiegelen. Eén ster garandeert een welzijn dat net boven de wettelijke ondergrens uitstijgt, twee sterren vereisen nog meer bewegingsruimte en de eisen voor een product met drie sterren zijn equivalent aan die voor biologisch vlees. Consumenten kunnen zo druk uitoefenen op de productiewijze en hun voorkeur uitspreken voor dierenwelzijn, ook als ze bereid zijn daar maar een paar cent extra voor te betalen. Het mooie aan het systeem is de gelaagdheid; een boer die net wat minder varkens in haar stal houdt, krijgt zonder haar stal te hoeven verbouwen toch een sterretje meer op haar vlees, zodat ze er een iets hogere prijs voor krijgt. Daarmee kan ze investeren in grotere stallen.

De hogere prijs vraagt om misbruik. In een documentaire van Zembla werd deze maand gesteld dat er soms gesjoemeld wordt bij het verpakken van vlees. Het kan voorkomen dat de vraag naar ‘sterrenvlees’ het aanbod overstijgt; Nederlandse slachterijen zouden dan water bij de wijn doen, oftewel wat plofvarkentjes in sterrenverpakkingen. In de praktijk zal het omgekeerde misschien ook, of zelfs vaker, voorkomen.

In Duitsland is vorige week besloten om het systeem juist op die vermenging in te richten. Er komen net als in Nederland drie welzijnsklassen voor vleesproducten, maar die worden in dezelfde verpakking en tegen dezelfde prijs aan de man gebracht. De supermarkt compenseert de boeren voor de hogere onkosten. Het systeem doet denken aan de vermenging van groene en grijze stroom: als aan het begin van de keten ‘groenere’ producten worden gebruikt, wordt het een onnodige logistieke complicatie om aan te tonen bij wie die uit de muur, respectievelijk op het bord komen. Zelfs met een keurmerk is dat principe moeilijk uit te leggen aan een consument. U ziet geen verschil, maar u moet wel meer betalen. Zonder het keurmerk wordt dat nog ondoorzichtiger, maar daardoor valt er ook minder winst te behalen door te sjoemelen.

Zou de Duitse consument dat langetermijnvoordeel inzien? De voordelen die mensen noemen als reden dat ze bereid zijn voor dierenwelzijn te betalen – lekkerder vlees, minder antibiotica, een schoner geweten – komen niet bij de koper terecht. Erger nog, ze vallen zijn buurman ten deel. Zou de gemiddelde Duitser bereid zijn duurdere (lees: minder) worst te eten, opdat zijn buurman een worstje van hogere kwaliteit krijgt? In een paleolitische omgeving zou zo’n opofferingsgezinde eigenschap weinig bijdragen aan de overlevingskans van de drager. De Duitser van nu is een afstammeling van die buurman, die minder opofferingsgezind was. Het Duitse dierenwelzijnsplan zal moeten opboksen tegen de diepgewortelde angst voor een Wurstkartell.