Zimbabwe

Denk aan Zimbabwe en de kans is groot dat landhervormingen, hyperinflatie en armoede het beeld domineren. Maar in hetzelfde land waar de president na zijn frauduleuze verkiezingsoverwinning opwierp dat zijn tegenstanders best zelfmoord mogen plegen (en daaraan toevoegde: ‘maar zelfs als ze doodgaan, zullen de honden hun vlees niet eten’), probeert men ook interessante wetenschap te bedrijven.

Zo gaat Zimbabwe bijvoorbeeld onderzoek doen naar nanotechnologieën die kunnen helpen om tuberculose te bestrijden. Het is een bekend probleem dat ziektes die vooral in ontwikkelingslanden voorkomen, zoals tuberculose, niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Farmaceutische bedrijven zien geen brood in de ontwikkeling van medicijnen voor patiënten zonder geld, Westerse overheden richten hun pijlen liever op de welvaartsziektes, en als er al medicatie wordt ontwikkeld dan zijn er een rits aan patenten en handelsverdragen die voorkomen dat de medicatie hun doelgroep bereikt. Steeds meer ontwikkelingslanden proberen daarom zelf het heft in handen te nemen.

Een patiënt die lijdt aan tuberculose moet nu nog maanden achtereen dagelijks medicatie slikken. En dat is een probleem: veel patiënten maken de kuur niet af – vooral in ontwikkelingslanden als Zimbabwe, waar patiënten soms lange afstanden moeten afleggen om de medicatie te verkrijgen, en artsen en verpleegkundigen maar moeilijk toezicht kunnen houden. De patiënten blijven daarom ziek en bovendien wordt de tuberculosebacterie langzaam maar zeker immuun tegen de medicatie.

Nanotechnologie biedt hier mogelijk een oplossing. Een groep Zuid-Afrikaanse onderzoekers werkte al aan dit probleem door de werkzame stof uit deze geneesmiddelen te nemen en die in te pakken met een laag nanodeeltjes, die op hun beurt weer met een laag andere chemicaliën werden bedekt. Deze chemicaliën zorgen ervoor dat het medicijn tegen de wand van de ingewanden blijft plakken en daardoor sneller wordt opgenomen. Bovendien herkennen witte bloedcellen de nanodeeltjes als vreemde elementen en nemen ze dus mee, waardoor de medicatie langzaam door het hele lichaam wordt verspreid. Het resultaat van deze geleidelijke verspreiding van de medicatie is dat patiënten slechts éénmaal per week een pil hoeven te slikken en dat de kosten van zowel de medicatie als van de zorgverlening aan mensen in afgelegen gebieden mogelijk omlaag gaan.

Voor Zimbabwe vormt dit onderzoek een belangrijke bron van inspiratie. De wetenschappelijke praktijk in Zimbabwe werd jarenlang geplaagd door de emigratie van hoogopgeleide mensen en een gebrek aan middelen en politieke steun. Onlangs publiceerde Zimbabwe een nieuw wetenschapsbeleid dat de Zimbabwaanse wetenschap weer op de rails moet zetten en nanotechnologie neemt daar een belangrijke plaats in. Zimbabwe richt zijn pijlen vooral op nanotechnologieën die een bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van ziektes die vooral in Zimbabwe voorkomen: in het bijzonder tuberculose en HIV-AIDS.

De Zuid-Afrikaanse onderzoekers hebben hun samenwerking al aangeboden en de overheid van Zimbabwe heeft inmiddels een miljoen dollar uitgetrokken voor dergelijk nanotechnologisch onderzoek – een aanzienlijk bedrag voor het arme land, dat lange tijd geen enkel budget had voor wetenschappelijk onderzoek.

Er zijn geen garanties dat dit zal slagen; er zal nog meer geld moeten worden geworven uit internationale fondsen, de medicatie kan nieuwe risico’s met zich meebrengen, het is onzeker of de politieke steun zal aanhouden in de turbulente tijden na de verkiezingen, en ook een verbeterd geneesmiddel betekent niet automatisch dat het door artsen en patiënten gebruikt zal worden. Maar het zijn kleine stapjes in de goede richting, ondanks het gebrek aan middelen, ondanks Mugabe.