VFDE7Z-mobile-smartphone-in-hand_6101

Met behulp van internet en smartphones kunnen we werk en vrije tijd steeds meer versnipperen over de dag en verspreiden over verschillende locaties. Een uitkomst, vooral voor mensen die moeite hebben om hun vele taken te combineren. Ze kunnen bijvoorbeeld flexibelere werktijden aanhouden, of hun werklocatie aanpassen aan andere activiteiten die op hun programma staan.

Dit in stukjes knippen van activiteiten en deze verdelen over tijd en/of plaats wordt door wetenschappers fragmentatie genoemd. De ontwikkeling van ICT-middelen heeft de mogelijkheden om activiteiten op deze manier flexibeler te plannen vergroot. Wanneer veel mensen dat ook daadwerkelijk gaan doen, dan kan dat leiden tot een toename in de mobiliteit en de ruimtelijke spreiding van woonlocaties. Iets om rekening mee te houden bij het plannen van infrastructuur en locaties van woningen, winkels, bedrijven en scholen. Onze steden ontwerpen we immers nu nog steeds vanuit de gedachte dat mensen op een vaste plek werken en op een redelijke afstand daarvan wonen.

Onderzoek van dr. Christa Hubers, die daarop in juni 2013 promoveerde aan de Universiteit Utrecht, laat zien dat de dagelijkse activiteiten van de door haar onderzochte steekproef uit 2007 nog slechts in bescheiden mate gefragmenteerd zijn. Ze vroeg mensen in de regio Utrecht een dagboekje in te vullen met hun activiteiten, verplaatsingen en elektronische communicatie. De deelnemers aan dit onderzoek bleken voor hun werk nog steeds vaak aan een vaste plaats gebonden zijn, maar wel over flexibele werktijden te beschikken. Hun vrije tijd is zowel in plaats als in tijd gefragmenteerder dan hun werk.

Dat verschilt overigens wel tussen mannen en vrouwen, want waar vrouwen een meer gefragmenteerde vrije tijd hebben, hebben mannen juist een relatief meer gefragmenteerde werktijd. Dat komt waarschijnlijk omdat vrouwen zich meer verantwoordelijk voelen voor huishoudelijke en zorgtaken waarvoor ze hun vrije tijd vaker onderbreken. Daarbij hebben mannen in hun werk gemiddeld vaker de autonomie om te kunnen bepalen waar en wanneer ze werken.

Of deze fragmentatie het gevolg is van ICT-gebruik, dat kan Hubers op basis van haar onderzoek niet zeggen. Wel dat meer ICT gebruik in het algemeen wel samenhangt met meer fragmentatie, maar dat deze relatie niet in alle individuele gevallen opgaat. Daarnaast waren er ook gevallen waarin ICT-gebruik juist samenhing met een bundeling van activiteiten in tijd of plaats. Als mensen achter hun laptop werken, winkelen, en met vrienden chatten dan leidt dat bijvoorbeeld tot minder ruimtelijke fragmentatie.

De resultaten van dit onderzoek doen me denken aan The Shock of the Old, waarin David Edgerton betoogt dat geschiedschrijvers periodes onterecht labelen op basis van innovaties terwijl ondertussen een ‘oude technologie’ nog steeds het meest gebruikt wordt. Zo wordt er bijvoorbeeld over de 20e eeuw gesproken als de eeuw van de luchtvaart, terwijl de meeste verplaatsingen nog altijd per auto plaatsvinden. Volgens velen bevinden we ons nu in het internettijdperk, terwijl we ondertussen voor minstens 80 procent van onze tijd vrolijk doorgaan met wat we voor de uitvinding van het wereldwijde web al deden: naar een kantoor gaan, winkelen in de supermarkt, en de kinderen naar school brengen. Een ontnuchterende en misschien ook wel een beetje saaie boodschap, maar voor het maken van beleid een belangrijke eyeopener.

Toch kan het snel gaan, want de tijdens het onderzoek van Hubers nog relevante Personal Digital Assistant (PDA) zijn inmiddels al van het toneel verdwenen, verdrongen door de smartphone. De data van haar onderzoek stammen uit 2007, en het is goed mogelijk dat activiteiten nu al een stuk meer gefragmenteerd zijn als gevolg van bijvoorbeeld die smartphone. Gezien de mogelijke gevolgen voor de ruimtelijke planning een ontwikkeling die we zeker in de gaten moeten blijven houden.