camponotus-c-alexwild

Het zou het recept kunnen zijn voor een nieuw schandaal: onlangs werd een goed functionerende commune minutieus in de gaten gehouden, elke beweging van elk individu vastgelegd, en iedere interactie geobserveerd, geregistreerd en geanalyseerd. Big Brother zat er bovenop.

Een klokkenluider was echter niet nodig om deze spionage aan het licht te brengen: de spionnen zelf publiceerden hun gegevens vol trots in Science. De commune die het slachtoffer was van deze brute aanval op hun privacy? Een kolonie mieren — Camponotus fellah — woonachtig in de Universiteit van Lausanne, Zwitserland.

Het sociale leven van insecten is onder biologen een populair studieonderwerp. Zeker insecten die in kolonies leven met een zogenaamde eusociale levensstijl zijn interessant: in deze kolonies wordt de voortplanting uitbesteed aan een select aantal individuen, terwijl de rest — de werkers — voor het functioneren van de kolonie zorgt. Onderzoek naar dit soort levensstijlen kan ons veel leren, bijvoorbeeld over de efficiëntie die socialiteit met zich meebrengt.

Er is inmiddels veel gekeken naar de verschillen tussen voortplantende individuen en werkers. Minder is echter bekend over hoe de werkers onderling de zaken regelen. Zodoende de Zwitserse spionage: door iedere werkmier uit te rusten met een uniek label, en ze met videocamera’s automatisch te volgen, haalden de wetenschappers bakken gegevens binnen over hun exacte doen en laten. Ze wisten waar ze zich bevonden in het nest, welke mier met welke mier overlegde, en waar: meer dan 9 miljoen interacties werden gemeten.

Zo viel het allereerst op dat er grofweg drie groepen te identificeren waren, die onderling meer met elkaar communiceerden dan met mieren uit een andere groep. Iedere groep nam binnen het nest ook een eigen plek in, die tekenend was voor hun rol in de kolonie: de ‘verzamelaars’ hingen vooral buiten en bij de ingang rond, de ‘schoonmakers’ zaten verspreid door het nest, maar hadden de voorkeur voor de vuilstortplaats (jazeker, een goed opgeruimd mierennest heeft een vuilnishoop), en de derde groep verzorgde de nieuwe generatie en de mierenkoningin.

Waar een mier zich bevindt heeft natuurlijk invloed op de soortgenoten waarmee ze kan communiceren. Daarom, dachten de onderzoekers, zou deze ruimtelijke organisatie in het mierennest wel eens de sleutel kunnen zijn van het interactiepatroon van de mieren, en daarmee ook van het functioneren van de kolonie als geheel.

Maar er waren meer karakteristieken. De groep schoonmakers was bijvoorbeeld het minst gecoördineerd: terwijl de verzamelaars en de verzorgers vooral onderling communiceerden, had een schoonmaker nu eens een onderonsje met een verzamelaar, dan weer met een verzorger. Ook leek er een duidelijke hiërarchie in leeftijd te bestaan: de verzorgers waren gemiddeld het jongst, terwijl de mierensenioren zich onder de verzamelaars bevonden.

Die laatste ontdekking gaf inzicht in hoe de taakverdeling tussen de mieren waarschijnlijk geregeld is: op haar levenspad begint de mier dichtbij Moeder de Koningin, als verzorger. Naarmate ze ouder wordt en het nest verkent komt ze tussen de schoonmakers terecht, en gaat ze puin ruimen. Als ze uiteindelijk de ingang van het nest heeft bereikt en de verzamelaars treft, trekt ook zij naar buiten, op strooptocht.

Misschien zit het succes van de mieren juist wel in de eenvoud van dit systeem. De regels zijn simpel, maar het superorganisme functioneert als de beste. Om dat te bepalen zou de mierenkolonie eigenlijk vergeleken moeten worden met andere sociale soorten — mensen, wellicht? Zullen we even bellen met de NSA?

 

Plaatje boven: Camponotus sp. mier in Brazilië, foto door Alex Wild. (Image under copyright, used with permission.)