drosophilas

Al een paar uur zit ik gefrustreerd achter mijn computer, een lok haar om mijn vingers gewikkeld waarvan ik hoop dat die de avond zal overleven. De deadlines voor onderzoeksbeursaanvragen komen er weer aan, en het is knokken geblazen. Zeker in crisistijd worden Mogelijke Toepassingen opgeblazen en Profitabele Toekomsten geschetst waarin men om het belang van ons onderzoek niet heen kan. Want al zitten we op het scherp van de snede, het heeft allemaal een nut!

Deze retoriek werkt goed voor praktisch toepasbare technische wetenschappen, of wanneer er een (al dan niet dodelijke) mensenziekte mee opgelost wordt. U gaat iets vinden tegen kanker? Welkom. Hier is een zak geld. Hier is een lab. Gaat uw gang. Zo niet in de fundamentele wetenschappen: daar is het, zoals velen weten, een stuk lastiger. Om over onderzoek in de alfa-hoek nog maar te zwijgen. ‘Nut’ moet ineens vertaald worden met ‘intellectueel erfgoed’, en verwordt al snel tot ‘specialistische hobby’.

Zelf ben ik evolutiebioloog, en met recht fundamenteel te noemen. Praktisch of toepasbaar nut heeft mijn onderzoek — aan specialistische structuren op vliegeneitjes — nou niet bepaald. Dat vind ik helemaal niet erg, het is namelijk machtig interessant: hoe zijn die structuren geëvolueerd? Hoe maak je ‘iets’ waar er daarvoor nog ‘niets’ was? Als je me mijn gang laat gaan kan ik er uren over vertellen.

Tot de beursaanvragen geschreven moeten worden.

De excuustruus van de biologie zit voor het overgrote deel in de geneeskunde. Het doen van fundamenteel onderzoek op zich is niet zo’n ramp, als je maar met een beetje fantasie een link kunt leggen naar een medisch veld waar jouw werk in de toekomst eventueel toepasbaar zou kunnen zijn. Dat doet iedereen dan ook netjes, al zijn de links soms op zijn zachtst gezegd vergezocht.

En dat is eigenlijk doodzonde. Mijn werk verdedig ik immers veel beter als ik beschrijf waar ik werkelijk naar op zoek ben: principes in de evolutiebiologie. Hoe werkt evolutie — niet, hoe kan de biologie ingezet worden om ons als mensen zo gezond mogelijk te maken. Niet dat ik daar geen interesse voor heb — daar ontkom je als lid van de mensenmaatschappij niet aan. Maar het is niet mijn drijfveer als ik de pipet hanteer, literatuur doorlees, of om middernacht na uren achter de microscoop besluit om toch nog één preparaat te bestuderen — toe, nog ééntje dan.

Een paar weken geleden sprak ik een beroemde Portugese immunoloog, die de loftrompet stak over de evolutionaire biologie, en haar praktisch nut. Hij maande mij, en mijn collega-evolutiebiologen, om die vliegjes toch te laten voor wat ze zijn, en ons te gaan bekommeren om mensenziekten. Want, zo zei hij, juist dáár hebben we evolutionair denkenden nodig.

Het is niet zo vreemd dat dit idee juist van een veterane immunoloog afkomstig is. Als geen ander weten immunologen dat evolutionair denken een ware revolutie kan ontketenen. In de jaren ’50 en ’60 raakte hun veld in een stroomversnelling, toen werd gesuggereerd (door de latere Nobelprijswinnaar Niels Jerne) dat diversiteit en natuurlijke selectie verantwoordelijk waren voor de precisie waarmee antilichaampjes werden aangepast op ziekteverwekkers, en andere deugnieten die het lichaam binnendringen. Zowel variatie als natuurlijke selectie zijn, zoals u weet, mechanismen die met name bekend waren (en zijn) als principes in de evolutie: bij de aanpassing van soorten aan hun omgeving.

Ofwel: onderzoek naar evolutie had kernbeginselen tevoorschijn getoverd over het functioneren van de (biologische) wereld, die nu op een dienblaadje aan de immunologie konden worden aangereikt. Een gouden periode brak aan voor het veld, waarin het één na het ander duidelijk werd over de werking van klonale selectie, zoals het kwam te heten. Voor de medische wetenschap was dit van onschatbare waarde.

De immunoloog die ik sprak voorzag dit soort revoluties ook voor andere medische gebieden. Mits we als evolutiebiologen en (bio)medisch onderzoekers elkaar de hand zouden reiken, en samen aan de puzzel van het menselijk lichaam zouden bouwen. Dat gebeurt ook meer en meer: ‘interdisciplinair’ is hip, en doet het gelukkig ook goed op de beursaanvraag.

Maar ‘interdisciplinair’ betekent niet dat de fundamentele kanten van de oorspronkelijke disciplines vergeten mogen worden. De zoektocht naar mechanismen — in de evolutiebiologie, of elders — gaat nog steeds door, en ik zoek vrolijk mee. Mits ik fondsen krijg, tenminste.

Maar, ook een beter wetenschapsmilieu begint bij jezelf. Misschien is het naïef, maar mijn aanvraag ga ik dus indienen zónder excuustruus, als oprechte zoektocht naar evolutionaire principes.

Met deze column als bijlage.