drentsmuseum

Wie het Drents Museum in Assen bezoekt, krijgt sinds kort bij binnenkomst een toegangskaartje met daarin een chip. Die chip zorgt ervoor dat de beweging van de bezoekers gevolgd kan worden door middel van sensoren die op verschillende plekken in het museum hangen. Het museum verzamelt op deze manier een schat aan data. Maar wat doen ze vervolgens met die enorme hoeveelheid data? Ik sprak met filosoof Jan-Willem Romeijn, die samen met statisticus Ernst Wit vanuit de Rijksuniversiteit Groningen betrokken is bij dit project. Hun doel: een intelligent museum maken.

“Normaal krijg je in een museum een audioguide, of misschien kun je een app downloaden voor op je iPhone,” vertelt Romeijn. “In elk geval werkt het altijd met een of ander apparaatje. Wij willen dat het gebouw zelf de interface is.” Een bezoeker zou op deze manier informatie kunnen krijgen die speciaal op hem of haar aangepast is.  Als je voor een informatieschermpje in het museum gaat staan, dan wordt dat opgepikt door de sensoren. Het is dan ook al bekend welke dingen je al gezien hebt. Zodoende kan de informatie die op het scherm verschijnt nauw aansluiten op wat je kort daarvoor hebt bekeken. Of er kan doorverwezen worden naar iets wat mogelijk ook nog interessant is. “Maar,” benadrukt Romeijn, “het leuke aan een museum is juist ook de serendipiteit. Je moet niet alleen te zien krijgen wat je al interessant vond, maar je moet juist ook verrast worden met nieuwe dingen.”

Een museum dat reageert op de bezoeker, dat is de droom van Wit en Romeijn. Op dit moment zult u er als bezoeker echter nog niet zoveel van merken. Het museum en de wetenschappers zijn nu vooral nog bezig met het verzamelen van data: heel veel data. De uitdaging voor de onderzoekers was om over die enorme hoeveelheid data nog iets zinnigs te kunnen zeggen.  Ze maakten daarvoor gebruik van wiskundige modellen uit de sociologie, die speciaal ontwikkeld zijn om aan grote netwerken te rekenen.

“In zo’n museum kun je heel veel dingen vatten in termen van netwerken,” legt Romeijn uit. De bezoekers vormen met elkaar een netwerk: mensen komen samen binnen en bewegen in groepjes door het museum. Maar ook: als er al iemand voor een kunstwerk staat, ga je niet ook daar staan. En zelfs de collectie kun je zien als netwerk: sommige werken lijken op elkaar, of hebben op een andere manier een verband met elkaar.

Uit de data die op dit moment verzameld wordt, kan nu al allerlei interessante informatie worden gehaald. En dat is precies de bedoeling van de onderzoekers. Want: voordat je een intelligent museum kunt maken, moet je eerst je bezoekers leren kennen. En dus zullen er bezoekersprofielen worden gemaakt, zullen de verbanden die bezoekers leggen tussen stukken in de collectie worden bestudeerd, en kan er bekeken worden welke stukken in de expositie onvoldoende aandacht krijgen en er misschien beter uit kunnen.

Daarmee hebben de bezoekers een zekere mate van invloed op de expositie gekregen. En dat is alleen maar goed voor de cultuurhistorische waarde van het Drents Museum, waar zowel wisselende kunstexposities als een geschiedkundige collectie te zien is. Romeijn betoogt dat het ook daarvoor juist van belang is dat bezoekers mede kunnen bepalen wat wel en niet tentoongesteld moet worden. Romeijn: “erfgoed en cultuurgoed maak je doordat mensen interacteren met de geschiedenis en de kunst. Je wilt dat mensen daar een stem in krijgen, en kunnen vertellen wat voor hen mooi of interessant  is.”

Foto boven: bezoekers in Drents museum door FaceMePLS. Foto in tekst: museumplus toegangsticket door grevillea.