Dutch Parliament

Het was mij eerst niet opgevallen, het korte berichtje dat oproept tot revolutie in het wetenschapsbeleid. De Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) adviseert een Government Chief Scientific Adviser (GCSA) aan te stellen, zo meldde de wetenschapsbijlage van de Volkskrant. Kerntaak van een GCSA: de overheid begeleiden in keuzes over de wetenschap. Profielschets: symboolfunctie, en publiek figuur met een integratieve invloed op overheidsbeleid ten aanzien van wetenschap en wetenschappelijke advisering. Een wetenschappelijk raadsadviseur van de MP dus, net als in ‘grotemensenlanden’ als Engeland en Canada. Niet eerder hunkerde een gerenommeerd instituut als de KNAW zo sterk naar een trait d’union (verbinding) tussen politiek en wetenschap. Nu moeten de mogelijkheden voor invoering van een Nederlandse GCSA ‘nieuwe stijl’ onderzocht worden, zo adviseert de Academie in haar rapport ‘Vertrouwen in wetenschap’ dat vorige week verscheen. Een revolutionair experiment, want onderzoek staat meestal niet hoog genoeg op de beleidsagenda om een eigen persoon te verdienen.

Graag maak ik een ommetje in de wereld waarin ik die GCSA ben. Loopt u even mee?

Als ik mijn kamer op de universiteit uitstap, zie ik rechts de genetica-professor zitten. Met hem spar ik graag over wetenschap, meestal naar aanleiding van de werkbesprekingen of projectupdates. Over het algemeen begint daarmee mijn week. In Den Haag heb ik ook een kantoor, maar daar tref je mij niet veel aan. Op dinsdag en vrijdag – mijn min of meer vaste Haagsche dagen – hang ik meestal in en rond de Tweede Kamer, of bij de Nederlandse organisatie voor Wetenschapelijk Onderzoek (NWO), AgentschapNL, de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) of het Rathenau Instituut. Brussel, daar ben ik ook wel eens te vinden, afhankelijk van ontwikkelingen aldaar. Ik probeer vast te houden aan de dagen in Den Haag en aan de universiteit, maar vaak schoppen zowel wetenschappelijke congressen als beleidstoppen mijn weekschema flink in de war. En zo moet het ook, want zowel de wetenschap als beleid vereisen opvolging van actualiteiten. Gelukkig heb ik een secretaresse van topniveau; die krijgt Mark R., Jet B. en Alexander P. – maar ook Hans C. en Robbert D. – wel in een ander hokje indien nodig. En anders kan ik te allen tijde het Torentje binnenstappen. “Alexander,” (want u denkt toch niet dat er onder Rutte iets met wetenschap gaat gebeuren?), “die 7 miljard (!) voor fundamenteel onderzoek moet erin blijven. Misschien gaat de VVD overstag als we iets doen voor bedrijven binnen die 3 miljard voor kennisinfrastructuur.”

Ik droom nog even verder, als u het niet erg vindt. Het KNAW-advies spreekt van een GSCA die vaak zal worden genoemd in de media, en in die zin kan dat bijdragen aan de maatschappelijke perceptie dat het de overheid ernst is met wetenschap. Ik zie Pauw en Witteman, een wekelijkse column, en lezingen op uitnodiging – voor wetenschappers én voor beleidsmakers. In de koffiepauzes willen professoren mij ‘heel even spreken’, nadat ik Alexander even heb gebrieft over de reacties op onze stelling ‘wetenschappelijke resultaten mogen geen invloed hebben op het wetenschapsbeleid’. Ondertussen blijft wetenschap almaar stijgen op de maatschappelijke ladder. Sinds mijn installatie als GCSA (bij koninklijk besluit), begeven zich beduidend meer wetenschappers in het publieke domein. Het Dijkgraaf-effect, maar dan zonder Dijkgraaf in beeld. Vwo-leerling kiezen massaal voor een wetenschappelijke carrière; alfa, gamma én bèta. Ja, zelfs havisten streven weer naar een plek op de universiteit.

En passant breng ik ook nog eens de juiste partijen bij elkaar. Zorgverzekeraars willen misschien toch wel investeren in vroege medicijnontwikkeling. Wetenschappelijke aartsrivalen kunnen best elkaars spullen gebruiken, zolang ze elkaar maar niet hoeven te zien of spreken, en ze er beiden beter van worden. En waar vindt Annemarie Jorritsma data voor haar Dutch Health Hub in Almere? Juist, in het academisch ziekenhuis.

Het is een grote politiek-wetenschappelijke beestenboel. Andere landen volgen het inmiddels Engels-Canadees-Nederlands model, en installeren ook GCSA’s. Topoverleg tussen de Europese GCSA’s zorgt ervoor dat onderzoeksgeld uit Brussel wél goed besteed wordt, en niet alleen aan wisselende gelegenheidsconsortia. GCSA’s zijn ook graag geziene gast op het jaarlijkse economen-bal in Davos, modereren de klimaatdiscussie en zorgen voor OV-studentenkaarten bij Richard Branson’s ruimtereismaatschappij.

En dan komt het GCSA-circuit in een kritieke fase. De pionier treedt af, en er komt een opvolger. Inmiddels is GCSA-positie ook gewild bij die-hard carrièretijgers en machtswellustelingen. Bovendien heeft de GCSA in België zich laten ontvallen dat hij meer invloed heeft in Brussel dan burgemeester Thielemans van de Belgische hoofdstad. Machtsstrijd, graaicultuur, en onduidelijke deals liggen op de loer.

En inderdaad, mijn opvolger (niet ik, uiteraard) blijkt erg nauwe banden met de farmaceutische industrie te onderhouden. Ook zit hij vaker in het buitenland dan strikt genomen zou hoeven, heeft hij een permanente privéchauffeur, en is hij bekender bij bedrijfsleven en politiek dan bij wetenschappers. Hoe hadden we destijds – zes jaar geleden – kunnen garanderen dat de GCSA objectief en visionair zou blijven, vraag ik me nu hardop af.  Verkiezingen? Een selectiecommissie? Een GCSA-klasje? In ieder geval hadden we scherper moeten selecteren op intrinsieke fascinatie voor wetenschap, aantoonbare politieke antennes, en maatschappelijke betrokkenheid.

En daarmee ben ik weer terug in de echte wereld. Excuseert u mij, ik ga even mijn LinkedIn-profiel bijwerken. Op zoek naar wat politieke antennes.