Isaac Newton, on a pedestal

De afgelopen maanden betwistten prominente wetenschappers in vakblad Nature de stelling dat wetenschappelijke genieën zijn uitgestorven. De afwezigheid van wetenschappelijke genieën zegt echter meer over hoe onze samenleving naar wetenschap kijkt dan over de mogelijkheid om spectaculaire ontdekkingen te doen, schrijft Koen Beumer.

De ontdekkingen van onderzoekers als Galileo, Darwin en Einstein zijn zo verdienstelijk dat we ze er eeuwen later nog om roemen. De Amerikaanse psycholoog Dean Keith Simonton definieert het wetenschappelijk genie als iemand wier werk verrassend, creatief en nuttig is.

Volgens Simonton ligt de tijd van wetenschappelijke genieën echter definitief achter ons. Er zijn misschien nog wel geniale kunstenaars of sporters, maar genialiteit wordt niet meer aan wetenschappers toegeschreven.

Een mogelijke oorzaak van de afwezigheid van wetenschappelijke genieën is dat genialiteit een eigenschap is die wordt toegeschreven aan individuen. Veel natuurwetenschappen zijn echter zo complex en gespecialiseerd geworden, dat het beste werk vaak voortkomt uit grote en dure samenwerkingsverbanden. Wetenschap is teamwerk geworden. Eén van Simonton’s critici in Nature stelt dan ook voor om invulling te geven aan het begrip genie in groepsverband.

Het is echter maar de vraag of dit voldoende zal zijn om het wetenschappelijk genie te doen herleven. Kijken we naar wetenschappelijke genieën uit het verleden, dan zien we dat zij de status van een genie niet alleen bereikten door hun bijzondere ontdekkingen.

Galileo Galilei bewees niet alleen dat de zon het middelpunt van ons zonnestelsel is; ook symboliseert hij de strijd tegen een kerk die zich het alleenrecht op de waarheid toe-eigende. En Charles Darwin toonde niet alleen aan hoe soorten veranderen maar plaatste en passant de mens met beide benen in de natuur.

Dit is misschien beter zichtbaar in het geval van Isaac Newton. Newton wordt vaak gezien als een genie die de wetten van de natuur blootlegde waar de kerk niet aan kon tornen. Dat hij grote delen van zijn tijd besteedde aan het bestuderen van alchemie, wordt echter maar zelden benadrukt.

Wetenschappelijke genieën staan symbool voor maatschappelijke ontwikkeling waarin de wetenschap een belangrijke rol speelt. Als we het genie van Galileo vieren, dan vertellen we tegelijkertijd een verhaal waarin de kerk als dogmatisch wordt weggezet en de wetenschap als vaandeldrager van de waarheid. De herinnering aan wetenschappelijke genieën versterkt de autoriteit van wetenschap in het publieke domein. Gezien het feit dat in onze tijd de wetenschap steeds meer onder vuur ligt, is het maar de vraag of dit een vruchtbare grond biedt voor wetenschappelijke genieën.

Simonton schrijft echter dat er geen wetenschappelijke genieën meer zijn omdat geniale uitvindingen simpelweg niet meer ‘beschikbaar’ zijn. Wetenschappers kunnen tegenwoordig de kortste seconde meten en hun instrumenten reiken tot ver in het universum. Het is dan ook moeilijk voor te stellen, zo schrijft Simonton, dat wetenschappers een fenomeen over het hoofd hebben gezien dat onze kennis over de wereld op zijn kop zal zetten.

Ook begin vorige eeuw dacht men dat het werk aan de natuurkunde wel zo’n beetje was voltooid; maar dat was buiten de kwantummechanica en de relativiteitstheorie gerekend. Is er niet per definitie een genie voor nodig om nieuwe fenomenen te ontwaren die anderen over het hoofd hebben gezien? Dat is wel het minste dat we van de wetenschapsgeschiedenis kunnen leren.