SjoerdRepping

Sjoerd Repping studeerde medische biologie in Amsterdam en promoveerde aan de UvA en het Whitehead Institute in Boston. Daarna volgde hij de opleiding tot klinisch embryoloog, een specialisatie in de de laboratoriumkant van vruchtbaarheidsbehandelingen. Sinds 2009 is hij hoogleraar humane voorplantingsbiologie bij het AMC.

De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan in uw werk?

Eigenlijk nooit, ik heb een voortvarende carrière gehad en het gaat eigenlijk nog steeds goed. Soms heb je natuurlijk wel tegenslagen. Een voorbeeld is dat we ooit een hele onderzoekslijn hebben moeten stoppen omdat daar niet genoeg uitkwam. We bestudeerden genetische afwijkingen bij mannen met vruchtbaarheidsproblemen, om op basis daarvan een behandeling te ontwikkeling. Maar jaren later bleek dat de genetische afwijkingen té divers waren om er een behandeling op te baseren, en hebben we besloten een andere kant op te gaan. Dit was meer zelfkastijding dan over de knie gaan, maar het was een moeilijk moment om een hele onderzoekslijn te stoppen.

Ik denk liever in succespunten: daarvan zijn er de laatste tijd twee geweest. We hebben laten zien dat een methode die veel gebruikt werd bij IVF, pre-implantatie genetische screening (PGS), helemaal niet tot meer zwangerschappen leidt. Bij PGS wordt één cel uit een IVF-embryo geanalyseerd op chromosoomafwijkingen, en op basis daarvan wordt besloten welk embryo terug wordt geplaatst. Dit gebeurde duizenden keren per jaar, hele bedrijven waren hierin gespecialiseerd. Maar wij hebben aangetoond dat die ene cel niet reprentatief is voor het hele embryo en dat je beter naar de buitenkant kunt kijken. Dat heeft behoorlijk stof doen opwaaien.

Daarnaast zijn we bezig met onderzoek naar jonge jongens met kanker. De mortaliteit van kinderkanker is de laatste jaren sterk gedaald, maar door de chemotherapie worden de stamcellen in de testis vernietigd en zijn jongens later vaak onvruchtbaar. Bij volwassen mannen kunnen zaadcellen ingevroren worden voordat de chemotherapie begint, maar voor de puberteit kan dat nog niet omdat er dan nog geen zaadcellen aangemaakt worden. Wij onderzoeken hoe we bij deze jongens een biopt kunnen nemen van de testis om daaruit stamcellen te isoleren en te vermenigvuldigen, om die later terrug te kunnen plaatsen. De methode werkt goed in muizen en stieren, het terugplaatsten is nog niet bij mensen gedaan. We kunnen nu al wel stamcellen kweken en vermenigvuldigen in het lab, nu zijn we bezig met veiligheidstesten. We hopen binnen een paar jaar de eerste klinische trials te kunnen starten.

Wat gaat u morgen doen? Heeft u er zin in?

Morgen is een bijzondere dag, mijn kinderen van 5,8 en 10 hebben voorjaarsvakantie, dus ik ben gezellig thuis. Werken is leuk maar het opvoeden van kinderen ook, en daar moet je, zeker als je jong carrière maakt, niet vergeten de tijd voor te nemen.

De dag daarna is behoorlijk vol: ik heb ergens een halfuurtje voor mezelf, maar verder zit ik volgepland met vergaderingen met onderzoekers en stafleden van mijn afdeling. De helft van mijn tijd besteed ik aan mijn onderzoeksgroep en de andere helft met de medewerkers in de kliniek.

Waar gaat uw volgende publicatie over?
Die gaat over stamcellen die we isoleren uit de testis van jongens. We kunnen ze vermenigvuldigen in het laboratorium, bij die kweek ontstaan ook cellen die lijken op embryonale stamcellen. Bij muizen zijn die cellen pluripotent, die kunnen dus ieder ander soort weefsel worden. Bij de mens is dit echter anders, daar zijn die cellen veel minder potent. Vaak wordt, als in de biologie iets ontdekt wordt in muizen, geschreven: “dit kan helpen om een ziekte bij mensen te behandelen” – wij laten zien dat er juist ook verschillen zijn en die beschrijven we. Een mens is geen muis.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt, of in de methodes die u gebruikt?

Mijn onderzoek combineert de kliniek en de biologie, en dat is behoorlijk uniek. De artsen in mijn groep kijken ook naar de biologie, en de biologen bedenken wat hun onderzoek voor klinische toepassingen kan hebben. Die interactie is heel belangrijk.

Daarnaast meng ik me in het maatschappelijk debat: alles wat wij doen kan leiden tot nieuw leven, dat roept debat op. Dat zagen we in de jaren ’70 met de opkomst van IVF en nu met de mogelijkheden om eicellen in te vriezen. Het gaat dan voornamelijk over emoties, en ik wil daar de wetenschappelijke inhoud aan toevoegen zonder met moeilijke termen te gooien. In het debat over het invriezen van eicellen wordt nogal eens de term ‘wensgeneeskunde’ gehoord, en dat alleen harde carrièrevrouwen dit willen, maar ik zie dit anders. Dit zijn geen vrouwen die gewoon een kind willen, dat is niet zo moeilijk, deze vrouwen willen juist een gezin, met een vader, maar die hebben ze nog niet gevonden. Vrouwen boven de 30 hebben écht een medische indicatie om eicellen in te vriezen, want IVF met jongere eicellen werkt veel beter dan IVF met oude eicellen. Dat is de wetenschappelijke kant van het debat, en die hoor je veel te weinig. Het emancipatiebedat gaat erom meer gelijkheid tussen man en vrouw te creëren, en daar draagt het invriezen van eicellen aan bij.

Waarvan ziet u dat het mensen belemmert, wat moet er veranderen in de wetenschap, en heeft u tips?

Een vervelende ontwikkeling is het steeds meer bedrijfsmatig beschouwen van de wetenschap. Ik word beoordeeld op de hoeveelheid promovendi, publicaties en beurzen. Dat is een doel op zich geworden, en dat is geen goede ontwikkeling. Wat ik nog veel erger vind, is dat hierdoor de wetenschap niet meer bij te houden is. Er zijn zoveel publicaties, omdat wetenschappers moeten publiceren, maar vaak is de kwaliteit ver onder de maat. Je zou veel meer moeten stilstaan bij wat onderzoek bijdraagt aan de kwaliteit van leven. Ook ik ben verplicht om hieraan mee te doen: iedere promovendus moet drie publicaties hebben. Dus ga je sneller publiceren en kleine onderzoekjes doen om die getallen te halen terwijl je de belangrijke vragen niet kunt beantwoorden. Zoals het vroeger ging, waarbij een onderzoeker geld kreeg, en bij de pensionering werd gekeken of het onderzoek wat had opgeleverd, dat werkt niet meer, maar nu gaan we echt de verkeerde kant op. Dit leidt tot verkeerde incentives, en dat kan bijvoorbeeld resulteren in fraude. Een oplossing is lastig. Je moet het hele systeem ombuigen, incentives proberen te veranderen.

Dit geldt ook voor wetenschapscommunicatie: een onderzoeker heeft het druk: als die moet kiezen tussen een paper afschrijven of een les op een middelbare school, kiest hij voor het eerste. Terwijl de les op de middelbare school meer maatschappelijke relevantie heeft. De Jonge Akademie kan hier hopelijk een stem in hebben.

U bent nu professor. Welke bijdrage hoopt u nog te leveren?

Ik wil graag bestaande behandelingen in mijn vakgebied evalueren. In de geneeskunde is de helft van de behandelingen niet wetenschappelijk bewezen effectief. Dit is eigenlijk absurd, zeker nu de kosten voor de zorg de pan uitrijzen. Bijvoorbeeld IVF – dit wordt toegepast als er géén oorzaak voor onvruchtbaarheid wordt gevonden, als een vrouw dus niet ziek is. Misschien heeft het dus geen toegevoegde waarde, maar IVF is zo’n commerciële activiteit geworden dat de behandeling altijd toegepast wordt zonder daar bij stil te staan. Iedereen doet wat er al jaren gedaan wordt, en daar wil ik graag eens goed naar kijken.

Daarnaast wil ik graag bestaande methodes optimaliseren, en nieuwe introduceren zoals het kweken en invriezen van stamcellen, om de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen te verbeteren.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u? Waar denkt u aan?

Dan haal ik mijn dochter op van musicalles, en ja, als ik even moet wachten beantwoord ik tussendoor wat emails. De avond is voor mezelf en mijn vrouw. Ook doordeweeks, als mijn kinderen naar bed zijn gaat de laptop weer open, maar ook kan ik als onderzoeker flexibel zijn en eerder naar huis gaan om de kinderen te halen, terwijl mijn vrouw, die als gyneacoloog aan werktijden vastzit, nog bezig is. Dat is niet alleen een valkuil, maar ook een zegening van de huidige tijd.