spandoek

“Wiskunde? Daar was ik altijd heel slecht in.” Het is een standaard antwoord, en een makkelijke manier waarmee men zich snel van het hele onderwerp af kan maken. Er is zelfs een speciale smoes voor uitgevonden: de wiskundeknobbel. Je hebt hem of je hebt hem niet. Maar een recent Duits onderzoek toont aan: wiskunde valt te leren. Voor de ontwikkeling van wiskundevaardigheden blijkt intelligentie nauwelijks van belang te zijn, maar motivatie en leerstrategieën des te meer.

Slecht zijn in wiskunde wordt een steeds groter maatschappelijk probleem: steeds meer leerlingen kiezen maar voor de ‘makkelijkere’ wiskunde A, en komen dan bij een vervolgopleiding in de problemen. Het wordt hoog tijd om korte metten te maken met de smoes van de wiskundeknobbel, en het probleem aan te pakken.

Eerder waren wetenschappers het er al over eens dat niet alleen intelligentie maar ook motivatie en studiemethodes een rol speelden voor het bereiken van een hoog academisch niveau. Die onderzoeken waren voornamelijk gericht op het meten van het absolute niveau dat mensen in hun educatieve ontwikkeling bereikten. In een recent onderzoek bekeken psychologen Murayama, Pekrun, Lichtenfeld en Vom Hofe de relatieve ontwikkeling van leerlingen, en daar bleek de factor intelligentie niet meer van noemenswaardig belang. Het basisniveau van een leerling hangt er wel mee samen, maar voor het verder ontwikkelen van de wiskundevaardigheden speelt intelligentie geen rol meer.

Murayama en collega’s analyseerden de gegevens van een grootschalig Duits onderzoek onder ruim 3500 leerlingen van de middelbare scholen, en bekeken de ontwikkeling die de kinderen gedurende meerdere jaren doormaakten. Ze onderzochten hoe de mate van verandering, de snelheid van de ontwikkeling dus, samenhing met de factoren intelligentie, motivatie en studiemethodes. Natuurlijk heeft intelligentie ook weer een zekere invloed op bijvoorbeeld de motivatie, schrijven de onderzoekers. Immers, wie al goed is in wiskunde, vindt het vaak ook leuker. Ze namen dit verschijnsel mee in hun statistiek, en vonden alsnog: wie gemotiveerd is, ontwikkelt zich sneller, los van de intelligentie.

Het Duitse onderzoek bevestigt de grote rol die de docent speelt en kan spelen voor leerlingen. Dat kwalitatief goed lesgeven belangrijk is, ligt voor de hand. Maar een inspirerende docent kan leerlingen ook motiveren. Bijvoorbeeld door de inhoud van de wiskundeles te relateren aan sprekende voorbeelden uit het dagelijks leven, of juist op een begrijpelijke manier te laten zien hoe mooi de abstracte wiskunde kan zijn. En een docent die zelf enthousiasme over zijn vakgebied uitstraalt, bereikt ook al veel onder zijn leerlingen.

Helaas hebben docenten binnen het curriculum weinig tijd voor leuke extra’s in de les. In de schoolboeken wordt vaak wel een poging gedaan om leuke voorbeelden te geven, maar als er weinig tijd is om door de stof heen te gaan, zal dat het eerste zijn dat overgeslagen wordt. Gezien het hoge aantal schoolverlaters dat nu nog enigszins trots verkondigen dat ze ‘nu eenmaal heel slecht zijn in wiskunde’, zullen we meer ruimte moeten maken voor de docent, en erkennen hoe belangrijk zijn of haar rol is voor de ontwikkeling van leerlingen. Dan kunnen die leerlingen later tenminste niet meer zeggen: wiskunde, daar was ik nooit zo goed in, maar hooguit: wiskunde, daarvoor was ik niet zo gemotiveerd.