LotteJensen

Lotte Jensen is opgeleid als neerlandicus en filosoof en nu universitair hoofddocent historische Nederlandse letterkunde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Ze onderzoekt wat literaire teksten te zeggen hebben over nationale identiteitsvorming en onderzoekt hoe periodes van oorlog en vrede van invloed zijn geweest op de vorming van de Nederlandse identiteit. Hiervoor ontving ze een subsidie van de NWO, en binnenkort komt haar boek over de Nederlandse identiteit onder Napoleon uit. Op haar website zijn al haar activiteiten te vinden: www.lottejensen.nl

De titel van onze serie is DJA over de knie. Wanneer bent u voor het laatst over de knie gegaan in uw werk?

Oeh, dat is een lastige vraag. Er zijn natuurlijk altijd momenten waarop het schrijfproces stokt, juist als je tegen een deadline aan hikt. In spanning zitten totdat je weet of een subsidie wel of niet gehonoreerd wordt, dat is ook altijd een moeilijk moment. Maar ik kijk liever vooruit en niet terug naar momenten waarop het moeilijker was. Lang stilstaan bij mislukkingen is niet mijn ding. Ik denk dat als je ver wilt komen in de wetenschap, je bestand moet zijn tegen kleine en grote tegenslagen. Daar wen je aan en leer je mee omgaan. En je leert je te richten op dingen die wél goed zijn gegaan.

Om de vraag om te draaien: wat is er goed gegaan de laatste tijd?

Ik heb een grote subsidie (NWO-VIDI) gekregen om onderzoek te doen naar hoe de Nederlandse identiteit zich ontwikkelde in het verleden. Ik ga in dit onderzoek vooral kijken naar periodes van oorlog, en bestuderen hoe het was Nederlander te zijn in moeilijke periodes aan de hand van cultuurhistorische teksten. Met deze subsidie kan ik vijf jaar lang intensief onderzoek doen samen met andere wetenschappers. Ook heb ik nu weinig onderwijsverplichtingen, en dus veel tijd om uitgebreid onderzoek te doen.

Een ander hoogtepunt is dat ik een gouden erepenning voor mijn wetenschappelijke werk ontving van de Teylers Stichting. Deze kreeg ik voor mijn onderzoek naar het verzet tegen Napoleon in Nederland, en het ontstaan van een Nederlandse identiteit tijdens die periode.

Wat gaat u morgen doen? Heeft u er zin in?

Ik ga morgen verder werken aan de inleiding van een nieuw boek dat ik met een aantal anderen aan het schrijven ben, over oorlogsliteratuur in de 17e, 18e en 19e eeuw in Nederland. Oorlog wordt vaak gezien als een periode van stilstand en ellende, wij kijken juist naar de productieve kant van oorlog. Er komt veel goede literatuur voort uit oorlogen. Dat was vroeger zo en het is nog steeds zo: denk maar aan de Ilias van Homerus of aan Grunberg. Die verwerkt ook vaak oorlog in zijn boeken. Wij bekijken hoe met het fenomeen oorlog in de literatuur wordt gewerkt. Ik vind schrijfdagen heerlijk, ik vind niets fijner dan het verwerken van materiaal om er een mooi verhaal van te maken. Door mijn VIDI-subsidie geef ik op dit moment minder onderwijs dan normaal, en heb ik veel tijd voor onderzoek en schrijven.

Waar gaat uw volgende publicatie over?

Mijn boek, dat 20 februari uitkomt, “Verzet tegen Napoleon”. Dat gaat over het ontstaan van de Nederlandse identiteit ten tijde van Franse overheersing, tussen 1806-1813. Men zegt altijd dat de belangrijkste erfenis van Napoleon de moderne rechtspraak is, maar door de onderdrukking in die periode is paradoxaal genoeg ook een gevoel van Nederlanderschap ontstaan, de Nederlanders voelden zich veel meer één land. Mijn stelling is dat de erfenis van Napoleon dat nationale gevoel is.

Ik heb gekeken naar schrijvers en dichters die daarover in die tijd hebben geschreven, en veel dingen zijn nog steeds herkenbaar in de Nederlandse identiteit. Om een voorbeeld te geven: in 1808 kwam het boek “Maurits Lijnslager” uit waarin een ideaalbeeld van de Nederlander geschetst werd, en veel elementen van dat beeld zijn nog steeds herkenbaar: deugdzaamzeid, zuinigheid, hard werken, niet boven het maaiveld uitsteken. Een bepaald stereotype Nederlander is toen geschapen en die herken je nog steeds. Dit is maar één voorbeeld van zulke vaderlandslievende teksten, er zijn er nog veel meer, waarin Nederlanderschap werd beschreven. Daar gaat dit boek over.

De huidige discussies over het koningshuis naar aanleiding van de abdicatie van Koningin Beatrix vind ik daarom ook heel interessant. Dit gaat eigenlijk om dezelfde vraag, namelijk: wat is onze nationale identiteit? Wat houdt dat “oranjegevoel” in? Dat gevoel kwam sterk opzetten in het verzet tegen Napoleon, Dit boeit mij ook extra omdat ik zelf Deens ben (Jensen was één jaar toen ze naar Nederland verhuisde), maar ik voel me soms erg Nederlands en soms juist erg Deens. Daardoor ben ik extra geïnteresseerd geraakt in de Nederlandse identiteit. Ik heb altijd tussen twee nationaliteiten in gezeten, en ik denk dat het koningshuis nog steeds een belangrijke rol speelt in in wat maakt dat iemand zich Nederlander voelt.

Wat zijn de vernieuwende vragen die u stelt, of in de methodes die u gebruikt? Hoe draagt u bij aan de innovatie in uw vakgebied?

Het vernieuwende van mijn onderzoek naar de Nederlandse identiteit, is dat ik kijk naar de 17e en 18e eeuw, terwijl de meeste onderzoekers zich alleen richten op de periode vanaf de 19e eeuw. Ik denk dat natievorming en het ontstaan van het Nederlanderschap veel ouder zijn. Wat ook nieuw is in mijn onderzoek, is dat ik juist kijk naar periodes van oorlog, waarin het land het moeilijk had en een gevoel van saamhorigheid nodig was, dat versterkt de eenheid van het land.

Als literatuurwetenschappers zijn we geneigd om alleen naar teksten te kijken, maar doordat ik die teksten plaats in hun maatschappelijke en culturele context kijk ik over de grenzen van mijn vakgebied heen. Het blijft lastig om mensen geïnteresseerd te krijgen in oude teksten. Door die teksten in een bredere context te plaatsen laat je de relevantie zien, zowel voor studenten, maar ook voor andere wetenschappers binnen en buiten mijn vakgebied. Ik denk dat daarin ook het succes ligt van mijn onderzoek, en dat ik daarom ook zo’n grote beurs heb gekregen.

Waarvan zie je dat het mensen belemmert, wat moet er veranderen in de wetenschap, en heb je tips?

Ik zie twee belemmeringen: in het algemeen zie ik dat er steeds meer managementtaken bijkomen voor wetenschappers. Deze taken gaan allemaal van de onderzoekstijd af, zodat er weinig overblijft voor fundamenteel onderzoek. Het zou helpen als wetenschappers vaker een sabbatical kunnen krijgen om écht onderzoek te kunnen doen.

Een andere belemmering, specifiek voor de Letteren, is de bedreiging van de kleine talen, zoals recent in Groningen waarbij studies worden opgeheven. Dat vind ik heel erg jammer. Het kan gewoon niet dat de studies in een kleine taal gewoon worden opgeheven, omdat alleen naar het economisch winstmodel en de hoeveelheid studenten gekeken wordt. Ook kleine vakgebieden moeten gekoesterd worden, voor het behoud van cultureel erfgoed. Je moet ook durven investeren in minder winstgevende vakgebieden, en, wees nou eerlijk, om zoveel geld gaat het toch helemaal niet?

U bent nu bijna professor. Welke bijdrage hoopt u nog te leveren?

Ik hoop op een dag een grote Europese subsidie binnen te kunnen halen om mijn onderzoek ook op Europees gebied te kunnen doen. Ik zou willen onderzoeken hoe processen van nationale identiteitsvorming in andere landen zijn geweest, en dat vergelijken met de Nederlandse situatie. Ook kunnen we dan kijken naar Europese identiteitsvorming. Er zal altijd een spanningsveld blijven tussen Europese en nationale identiteit, overal merk je dat mensen “Europa” heel abstract vinden. Sinds de opkomst van de discussie over de europese identiteit zijn nationale bewegingen overal sterker geworden, en ik zou dit wel eens in de geschiedenis willen bestuderen.

En verder wil ik als literatuurwetenschapper blijvend interesse opwekken voor de Nederlandse letterkunde. Kortom: zoveel mogelijk mensen Vondel laten lezen. Voor 1960 moest iedereen dat op de middelbare school lezen, en dat zou ik graag terugzien.

Het is zaterdagmiddag, net na lunchtijd. Waar bent u? Waar denkt u aan?

Ik ben bij de voetbalwedstrijd van mijn zoon en daar denk ik ook aan. Niet aan wetenschap.

Interview door Eva Teuling