Een vuurmier, een hertmuis en een blinde grotvis: het toch complexe gedrag van deze drie beesten lijkt direct gestuurd te worden door de erfelijke informatie die ze meedragen. Is dit de doodssteek voor de ideeën over de vrije wil?

De twee muizensoorten Peromyscus polionotus en Peromyscus maniculatus zijn heel nauw verwant, maar wie deze twee soorten kruist en vervolgens kijkt hoe de nakomelingen behuisd zijn wacht een verrassing.

De eerste soort, die vooral op open vlakten van de Verenigde Staten leeft, graaft normaliter een korte tunnel –hooguit zo’n tien centimeter diep. De tweede soort, die zich in alle soorten Amerikaans landschap thuisvoelt, is een ware mijnwerker en woont in een hol voorzien van een gemiddeld zo’n twee meter lange toegangstunnel plus een speciale ontsnappingstunnel.

Het kroost uit een paring van een P. polionotus en een P. maniculatus bouwt echter standaard een uitgebreid hol, compleet met diepe toegang en nooduitgang. Volgens de Amerikaanse biologe van Nederlandse afkomst Hopi Hoekstra, die dit onderzoek gisteren publiceerde, is dit verschil in opvatting over het juiste muizenhol direct erfelijk, waarbij de voorkeur voor een complexere behuizing genetisch gezien het sterkste, ofwel dominant is.

Anders dan sommige andere gedragingen krijgen de muizen hun ideeën over de optimale holarchitectuur dus niet door het gedrag van soortgenoten te kopiëren. Muizen die zonder rolmodellen opgroeien graven precies dat hol dat hun genen hen ingeven.

Drang van binnen
Deze knaagdieren lijken kortom op de spin Sebastiaan, van Annie M.G. Schmidt. Die voelde ook een drang van binnen, tot het weven van een web. Het is niet onwaarschijnlijk dat ook zijn bijzondere architectonische prestaties onder directe genetische controle stonden.

De vakbladen staan dit jaar ineens vol met onderzoek waarin wat tot nogtoe als complex gedrag werd gezien gekoppeld wordt aan al dan niet relatief eenvoudige in het DNA vastgelegde erfelijke eigenschappen. Vorige week meldden Franse ontwikkelingsbiologen bijvoorbeeld hoe het sociale gedrag van blinde grotvissen uit Mexico door subtiele modificaties in hun genetische achtergrond faliekant anders is dan dat van hun wel-ziende, maar genetisch nauwverwanten uit bovengrondse beekjes; in Nature staat deze week naast het verhaal over de erfelijke basis van muizenholdesigns ook een stuk waarin onderzoekers het ingewikkelde sociale gedrag van vuurmieren ontleden aan de hand van een geclusterde set genen.

Genetische bagage
Natuurlijk is het een grote stap om op basis van een paar voorbeelden uit het dierenrijk vergaand te speculeren over de invloed van onze genetische bagage op ons menselijke gedrag. Net als veel andere beesten is een flink deel van ons handelen aangeleerd door imitatie, toeval of actieve instructie door anderen.

Toch is het geen losse flodder om te veronderstellen dat ook bij H. sapiens onderlinge genetische verschillen een deel van de normale variatie aan gedragspatronen zouden kunnen verklaren. Het lijkt wat ver gaan om onze voorkeuren voor bijvoorbeeld een flat op tien hoog of juist een woning op de begane grond direct op een of enkele gen te willen herleiden, maar het is wel verrassend hoe eenvoudig schijnbaar complex gedrag van ons en onze mededieren soms verklaard kan worden op basis van genetische variaties. De wetenschap dat onze genen keihard meeonderhandelen bij onze partnerkeuzes haalt de romantiek er toch een beetje vanaf.

Het wordt er niet eenvoudiger op voor mensen die zichzelf willen begrijpen. Freudianen en andere therapeuten konden nog gewoon zoeken naar eerdere ervaringen om onze soms opvallende keuzes en acties te verklaren, maar als straks ook voor mensen de eerste directe gen-gedraglinks in de boeken staan krijgt dit soort introspectie een wel heel technisch tintje.