Vrije wil bestaat, zeggen Erasmus en Dennett

Bestaat vrije wil? Het is een vraag die in de loop van de geschiedenis tot hevige debatten heeft geleid en deze zijn niet uitgewoed. In de renaissance kwamen de argumenten uit de bijbel, en domineerden Luther en Erasmus de discussie. In onze tijd wordt het debat voornamelijk gevoerd op basis van kennis uit wetenschappelijk onderzoek.

Een van de prominente deelnemers aan het huidige debat over vrije wil is de filosoof Daniel Dennett, onlangs in Nederland om de Erasmusprijs te ontvangen, een jaarlijkse prijs voor iemand die een buitengewoon belangrijke bijdrage heeft geleverd op cultureel, sociaal of sociaal-wetenschappelijk terrein. In Nederland is Denett bekend van de televisieserie ‘Een schitterend ongeluk’ van de VPRO, waarin Wim Kayzer met zes wetenschappers over bewustzijn, wetenschap en filosofie sprak. Ik zag de serie als tiener in 1993 en mijn fascinatie voor wetenschap en denken over wetenschap groeide tijdens het kijken en bediscussiëren van de afleveringen.

Erasmus en Dennett staan aan dezelfde kant in het debat: zij geloven in het bestaan van vrije wil. Luther had in de vroege zestiende eeuw stoutmoedig gesteld dat vrije wil niet bestaat. Al onze acties worden door god bepaald; wij zijn slechts zijn gereedschap. Erasmus, tijdgenoot van Luther, vond dit een zeer zorgelijke opvatting. Hij was bang voor ontwrichting van de samenleving, wanneer men niet meer verantwoordelijk zou zijn voor de eigen daden. Erasmus en Luther voerden het debat met interpretaties uit de bijbel, de onbetwiste autoriteit.

Bij het huidige debat komen de argumenten uit wetenschappelijke hoek en speelt de bijbel geen rol meer. Prominente hersenwetenschappers, psychologen en anderen verklaren dat vrije wil een illusie is. Zij zijn deterministen: alle gebeurtenissen worden onder invloed van de natuurwetten bepaald door voorafgaande gebeurtenissen. Improvisatie is onmogelijk.

Dennett gelooft daarentegen dat vrije wil en determinisme logisch met elkaar verenigbaar zijn. Hij is een zogenaamde compatibilist en net als Erasmus vreest ook hij dat zonder vrije wil de maatschappij een zooitje wordt. Een compatibilist vindt een actie uit vrije wil, wanneer deze uit eigen overtuigingen en verlangens plaats heeft. Hij is een zachte determinist, geen goddelijke interventie, maar ook geen koude voorspelbaarheid van ons gedrag. Een voorbeeld (naar Dennett): 1) Ik ga naar mijn huisarts en hij adviseert me magere melk te drinken. In de supermarkt koop ik magere melk. 2) In de supermarkt zie ik een pak magere melk met een spannende foto van Kirsten Dunst. Ik koop magere melk. 3) In de supermarkt loop ik langs de zuivelafdeling, een geheime microchip in de magere melk beïnvloedt mijn hersenen. Ik koop magere melk.

Voor Dennett bestaat alleen in het derde geval geen vrije wil. In alle andere gevallen werd mijn keuze inderdaad beïnvloed, maar bepaalde ik bewust wat ik ging doen. Ik had ook anders kunnen kiezen en evolutie heeft ervoor gezorgd dat ik dat soms ook doe, zegt Dennett. Het kan namelijk zeer nuttig zijn om voor je tweede keuze te gaan en niet altijd te laten blijken wat je echt graag wil. Anders zullen anderen (melkverkopers, minaars, katten) je uitbuiten. En als we soms onverwachts uit de hoek kunnen komen, zijn we ook verantwoordelijk voor onze daden.

Volgens Dennett heeft onderzoek aan de hersenen het bestaan van dit type vrije wil niet in gevaar gebracht. Alleen onder zeer gecontroleerde omstandigheden kan een hersenonderzoeker soms voorspellen welke ‘random’ keuze iemand gaat maken. Of zoals hijzelf schrijft in zijn Erasmusprijs essay : “don’t play rock, paper, scissors for money with anybody when your head is inside an fMRI machine!