Het stereotype van een biologische invasie is dat deze verloopt volgens het Blitzkrieg-model: binnen korte tijd verspreidt een exotische plant, dier of parasiet zich in een territorium waar deze soort tot dat moment niet voorkwam. Toch lijkt het erop dat sommige invasieve soorten pas na een jaren durend ecologisch schaakspel tot een plaag uitgroeien.

Invasieve uitheemse soorten zoals de tijgermug, de Japanse oester of de Amerikaanse vogelkers hebben het imago van trefzekere overwinnaars. Vroeger hadden we duiven, eksters en mussen, nu zit het Vondelpark helemaal vol met halsbandparkieten. Vanaf het moment dat de eerste pioniers zich in een voor hen onontgonnen ecosysteem melden lijken deze exoten in een rechte lijn op te stomen tot een dominante positie binnen de soortengemeenschap.

Om dit soort biologische invasies beter te begrijpen richten ecologen zich traditioneel enerzijds op de unieke eigenschappen van succesvolle exoten, en anderzijds op de karakteristieke kwetsbaarheden van ecosystemen die met succes gekoloniseerd zijn.

Die aanpak is te beperkt, stellen Amerikaanse biologen nu. Volgens hen zijn niet alleen de eigenschappen van de veroveraar en de structuur van het binnen te dringen ecosysteem op het moment van de invasie van belang, maar is het vooral de vraag of zich op tijd een zogenaamde niche-kans voordoet. Zo’n kans om als exotische soort in een nieuw territorium een biologische rol te monopoliseren kan zich pas jaren na de daadwerkelijke introductie voordoen.

In een uithoek van de Chihuahuawoestijn in Arizona bepaalden biologen sinds 1977 hoe de soortensamenleving zich ontwikkelde. In 24 afgebakende vierkanten van vijftig bij vijftig meter telden ze ieder jaar alle soorten planten. Daarbij hadden ze speciale aandacht voor Erodium cicutarium (reigersbek), een Mediterrane plant die in de achttiende eeuw in Noord-Amerika geïntroduceerd werd. In 1978 groeiden in slechts één van de vierkanten twaalf reigersbekken, in 2008 was Erodium op alle terreinen de dominante eenjarige plantensoort.

Het duurde echter bijna twintig jaar voordat Erodium de kans kreeg om zich tot ecologische hegemonist te ontwikkelen. Tot in de jaren negentig bleef de reigersbek een relatief marginale soort, maar door toevallige veranderingen in de aantallen knaagdieren en de hoeveelheid regenval ontstond een unieke kans om de niche van dominante eenjarige plant te veroveren. Met minder concurrerende planten, maar ook minder kangoeroegoffers (wangzakmuizen met een voorkeur voor de relatief grote Erodium-zaden) explodeerde de reigersbekpopulatie. Dankzij hun toen grote getalen lukte het Erodium ook daarna een dominante soort te blijven.

Randfiguur
Volgens de Amerikanen bewijst de uiteindelijk geslaagde Erodium-invasie dat uitheemse soorten ook na jaren van marginale aanwezigheid nog tot een plaag kunnen uitgroeien. Blijkbaar verschaffen uitzonderlijke omstandigheden soms een mogelijkheid om de gevestigde inheemse soorten van de troon te stoten. Het is natuurlijk wel een vereiste dat een aspirant-invasieve soort als randfiguur in het ecosysteem aanwezig is. Het model doet denken aan slapende terroristencellen, maar ook aan de van nature in veel woestijnen voorkomende dynamiek van de plantengroei, waarbij de zaden in de grond geduldig wachten op een zeldzame regenbui, om op dat moment explosief te kiemen en tot bloei te komen.

Voor ecosystemen betekent deze observatie dat het risico van invasieve soorten waarschijnlijk groter is dan gedacht. Het onderzoek onderstreept het belang van preventie van introducties van soorten in gebieden waar ze niet geëvolueerd zijn. Natuurbeheerders die plagen willen voorkomen zullen de nu al gevestigde invasieve soorten bovendien beter in de gaten moeten houden. Wat vandaag een robuuste soortensamenleving is, kan door toevallige variaties in bijvoorbeeld de populatiegroottes, de voedselbeschikbaarheid of het lokale klimaat plotseling een prooi worden voor hun kans afwachtende exoten.