Dutch Parliament

Rutte II brengt niet alleen slecht nieuws. Eén van de velden waarin wèl extra geïnvesteerd wordt is wetenschappelijk onderzoek. Het blijft echter de vraag of het nieuwe beleid echt gaat afwijken van de economisch gerichte koers van de afgelopen jaren.

Er wordt geïnvesteerd in toegepast én fundamenteel onderzoek. Vooral dit laatste wordt toegejuicht, omdat dit in het afgelopen decennium steeds meer in de verdrukking leek te komen.

  • Het topsectorenbeleid uit Rutte I, waarin de nadruk ligt op publiek-private samenwerkingen, zal worden voortgezet. 275 miljoen wordt ingezet via NWO, en verschuivingen elders leveren een extra 110 miljoen op.
  • 150 miljoen komt extra beschikbaar voor fundamenteel onderzoek, waarvan 50 miljoen door ‘herprioritering’. Een deel wordt ingezet als matching voor Europese subsidies in het programma Horizon 2020.

Maar waarin wordt precies geïnvesteerd: in economie of in kennis?

Het is veelzeggend dat het wetenschapsbeleid is opgenomen in het onderdeel Duurzaam groeien en vernieuwen; bij de economische groeiplannen dus. Uit het akkoord: ‘De innovatiekracht van het bedrijfsleven, de kennisinstellingen en de overheid zal optimaal worden gericht op de transitie naar een duurzame economie en groene groei, mede met het oog op versterking van het concurrentievermogen van de Nederlandse economie.’ Kennisinstellingen worden bijna nergens los van het bedrijfsleven genoemd in het akkoord.

Het is al langer een trend dat de nadruk steeds meer op economische innovatie ligt, misschien een logische ontwikkeling in crisistijden. Denk maar aan het Topsectorenbeleid (zie onder) en het voorstel van VNO/NCW-voorzitter Wientjes om het wetenschapsbeleid van OCW naar EL&I te verplaatsen. Er wordt al gespeculeerd dat een opwaardering van EL&I tot ‘kennisministerie’ strategisch goed van pas zou kunnen komen voor Rutte II.

Nou kan het best goed zijn om publiek-private samenwerkingen te stimuleren, als het doel is dat er naast overheidsgelden ook meer vanuit het bedrijfsleven zal worden bijgedragen aan onderzoek. Het valt echter zeer te betwijfelen of alle wetenschap economische waarde moet opleveren. Onderzoek naar de uitdijing van het heelal is zeer waardevol maar zal niet direct geld opleveren. Hetzelfde geldt voor onderzoek naar evolutionaire voorlopers van de mens. En zo zijn er nog tal van voorbeelden te noemen van onderzoek waarvan de maatschappelijke, culturele en/of wetenschappelijke waarde de economische overstijgt. Lees meer over deze discussie in deze onlangs in NRC verschenen brief van de Jonge Akademie.

Topsectoren

Het vorige kabinet heeft over de gehele breedte van de rijksbegroting 1,5 miljard euro aan onderzoeksmiddelen gericht ingezet op negen economische ‘topsectoren’ (water, agrofood, tuinbouw, hightech, life sciences, chemie, energie, logistiek en creatieve industrie). Dit zijn sectoren waar Nederland “van nature” goed in is, bijvoorbeeld door de ligging of vanuit de geschiedenis. Daarnaast zijn er ook fiscale voordelen ingevoerd, bijvoorbeeld ter bevordering van meer R&D uitgaven bij bedrijven.

De ingezette gelden kwamen echter niet alleen uit innovatiebeleid maar ook uit wetenschapsbeleid. De oorspronkelijke extra inversteringen in innovatie-gedreven onderzoek van zo’n 10 jaar geleden kwamen uit extra beschikbaar geld (de aardgasopbrengsten). Maar sinds dit extra geld niet meer beschikbaar is wordt steeds meer uit de bestaande middelen voor wetenschap losgepeuterd. Zo blijft er dus gewoon minder over voor fundamentelere en meer bottom-up gerichte subsidies.

Het topsectorenbeleid is dan ook niet onomstreden. In vergelijking met de vernieuwingsimpuls bijvoorbeeld, is het nogal ondoorzichtig hoe de ‘calls’ precies worden vormgegeven en hoe subsidies toegekend worden. Ook zou het tot valse concurrentie kunnen leiden omdat veel geld terechtkomt bij publieke kennisaanbieders zoals TNO.

De voortzetting van het Topsectorenbeleid laat dit beleid niet ongewijzigd. Tegenover het uittrekken van extra middelen staat dat de bijbehorende fiscale regelingen worden uitgekleed. Dit terwijl het al ten zeerste de vraag was of R&D uitgaven van bedrijven echt zijn toegenomen door het beleid, wat wel het beoogde effect was van de gestimuleerde publiek-private samenwerkingen.

Fundamenteel  onderzoek

Een hoopgevende uitzondering op de vergoeiing met economisch belang is het extra beschikbaar stellen van €150 miljoen voor fundamenteel onderzoek. Dit is zeer welkom gezien de moeizame balans tussen fundamenteel en toegepast onderzoek van de afgelopen jaren.

Maar het is nog onduidelijk waar dit geld vandaan komt in het akkoord vol bezuinigingen. Het lijkt erop dat het (deels) vrijkomt door het omzetten van de basisbeurs in een sociaal leenstelsel voor studenten. Voor hen is het dan wel een domper dat het geld waarin zij gekort worden bij onderzoek terechtkomt, en niet specifiek bij het verbeteren van hoger onderwijs.

Europese horizon

Het extra geld voor fundamenteel onderzoek wordt deels ingezet om meer middelen uit het Europese onderzoeksprogramma Horizon 2020 te werven. Ook dit wordt enthousiast ontvangen omdat het Europese programma belangrijk is voor de Nederlandse wetenschap. Nederland werft namelijk relatief veel Europese gelden, meer dan het investeert. Om deze extra investering te verzilveren zullen Nederlandse onderzoekers dus wel veel Europees geld moeten blijven veroveren. En daarbij komt dat voor het Europese Horizonprogramma substantiele bezuinigingen aangekondigd. De beslissing over het budget zal vallen op de EU-top eind november.

Kennisbeleid of innovatiebeleid?

Het nieuwe kabinet lijkt dus niet van mening dat wetenschap uitsluitend ten gunste moet komen aan economische groei. Dit is geen slechte boodschap in een tijd van miljardenbezuinigingen. Hoeveel er ook daadwerkelijk extra wordt geinvesteerd is helaas nog verre van duidelijk. Termen als ‘herprioritering’ zijn niet direct veelbelovend. Ook zal veel afhangen van de ontwikkelingen in kennisbeleid; met als doemscenario dat dit steeds meer wordt opgeslokt door EL&I en het één wordt met economisch innovatiebeleid.