‘MRI-scan toont of stoppoging roker slaagt’, ‘megahits te herkennen in tienerbrein’. Dit soort krantenberichten klinken fascinerend, en misschien zelfs ook een beetje eng, maar kunnen hersenscans dit echt? Of gaan er belangrijke nuances verloren in de vertaling van neurowetenschappelijk onderzoek naar de media?

De vertaalslag naar de maatschappij is een lastige opgave, zoals in vele vakgebieden. Toch lijkt hersenonderzoek extra gevoelig voor misverstanden. Sensationele krantenkoppen wekken onrealistische verwachtingen of schetsen een vertekend beeld. Veel toepassingen liggen ethisch gevoelig. Denk maar aan de pedoscanner, of toepassingen op het gebied van gedachtenlezen. Nauwkeurige overdracht van neurowetenschappelijke resultaten is dus van groot belang.

Gevaarlijke trends

Een recent artikel in Neuron beschrijft hoe zes Britse kranten hersenonderzoek hebben weergegeven in het afgelopen decennium. Ze vonden drie trends. De eerste spiegelt ons brein af als kapitaal waarin we dienen te investeren, bijvoorbeeld door training of voeding. Oftewel: we moeten actief onze bovenkamer perfectioneren, en bij voorkeur ook die van onze kinderen. Alsof we het niet al druk genoeg hebben.

Een tweede trend is het benadrukken van verschillen tussen groepen: zwaarlijvigen versus mensen met gemiddeld gewicht, homoseksuelen versus heteroseksuelen, enzovoorts. Een dergelijke berichtgeving versterkt stigmatisering, terwijl er in werkelijkheid ook grote verschillen worden gevonden binnen deze ‘groepen’.

Tenslotte worden neurowetenschappelijke resultaten vaak opgeworpen als biologisch bewijs voor alledaagse fenomenen, zoals verliefd zijn of ‘multitasken’. De grote aantrekkingskracht van breinkennis wordt zo regelmatig misbruikt om een argument te versterken; het is wetenschappelijk aangetoond dat irrelevante ‘neuro-feiten’ argumentaties geloofwaardiger maken.

De meeste berichten gingen daarentegen nauwelijks in op beperkingen van de onderzoeken en de conclusies. Ook werden resultaten vaak ver buiten hun oorspronkelijke context geïnterpreteerd. Terug naar het voorbeeld van het multitasken: één van de artikelen raadt vrouwen af om te proberen een carrière, gezin en sociaal leven te combineren – het heeft toch geen zin. Dit alles baseren ze op een onderzoek waarin proefpersonen verschillende wiskundige taakjes achter elkaar moesten uitvoeren, en daar in sommige gevallen moeite mee hadden.

Samen tegen de prestatiedruk

Betere communicatie is helaas niet eenvoudig; de media ontberen de expertise en wetenschappers de tijd om actiever de juistheid van berichtgeving te waarborgen. Media en praktijkmensen hebben vaak geen toegang tot primaire wetenschappelijke literatuur. Ook is enige vorm van versimpeling en generalisatie onvermijdelijk om het grote publiek te bereiken.

Het vertaalproces kan een handje worden geholpen door initiatieven zoals Research2PracticeBreinwijzer,BrainMatters en uiteraard Kennislink, die een brug proberen te slaan tussen wetenschap, media en praktijk.

Zulke ‘vertalers’ zouden in structurelere vorm nog meer kunnen betekenen. Ook zou het goed zijn de prestatiedruk op wetenschappers te verlagen, zodat zij meer ruimte hebben actiever deel te nemen aan de dialoog met de maatschappij. Want dat is toch eigenlijk niet onbelangrijker dan publiceren.

Bronnen:

  • - Common health: How the media question the brain (link)
  • - Illes, Moser ea: Neurotalk: Improving the communication of neuroscience research, Neuroscience, 2010
  • - O’Connor, Rees ea: Neuroscience in the public sphere, Neuron, 2012
  • - Weisberg, Keil ea.: The seductive allure of neuroscience explanations, Journal of Cognitive Neuroscience, 2008

Nienke van Atteveldt

Door Neurowetenschapper  Nienke van Atteveldt,  senior onderzoeker aan de Maastricht University en aan het Netherlands Institute for Neuroscience (NIN).