c-Gerben-Vrouwe2

Mensen houden van robots

‘Als ie straks weg is, ben ik heel verdrietig.’

‘Oh kijk, die twee houden van elkaar.’

‘Hij heet Karel!’

‘Och, wat zielig, die heeft maar twee pootjes.’

‘Hij loopt achteruit!’ ‘Achteruit, dat is toch de kop?’ ‘Nee, sukkel, dat lampje is zijn staart. Dat zie je toch. En dat zijn zijn ogen.’

Hét bewijs dat mensen van robotjes houden is geleverd. In Eindhoven konden bezoekers een eigen Braitenbergrobotje bouwen – een moeilijk woord voor het simpelste robotje dat je kan verzinnen. Een printplaatje, twee motortjes, twee lichtsensoren (de ogen), een ledje (de staart) en vier pootjes van rubber stokjes: en voilà, een robotje dat naar licht toe loopt. De soldeerbouten waren geen moment onbezet. De gebouwde robotjes werden als in een dierentuin bij elkaar in een hokje gezet – de maker mocht zijn beessie pas op het eind van de avond weer ophalen. En doordat ze allemaal net even anders in elkaar waren gezet, deden de robotjes ook allemaal net wat anders. Ze renden dol achter elkaars ledjes aan, ze kropen opzij, ze draaiden zinloos rond. Je kon ze lokken met het lampje van je iPhone, je kon ze stilzetten door het licht te blokkeren, optillen en ergens anders weer neerzetten: kortom, je kon er uren mee spelen. Iedereen viel als een blok voor de printplaatjes op pootjes.

Lees een langer artikel over de robotjes op de Discovery-blog

Experiment: we spelen een file

We lopen rondjes, achter elkaar aan, zoals vroeger met gym. Als je voorganger te dicht bij komt, moet je stoppen. Het gevolg: achter je ontstaat een spookfile. Je ziet hem ontstaan. Zo gaat het in het echt ook, vertelt de TU/e-expert – de eerste remt wat hard, de volgende remt nog wat harder en de laatste staat stil. Zo vorm je een spookfile. De oplossing is adaptive cruise control. Gewoon netjes achter je voorganger aansukkelen en de file blijft uit.

Daarna doen we een zwerm: zo veel mogelijk mensen moeten door elkaar heen lopen, zonder elkaar te raken. Als snel ontstaat er een patroon, mensen beginnen achter elkaar aan te lopen. Binnen een minuut is er een grote wervel ontstaan, die tegen de klok indraait. Je moet er wel in mee, of je wilt of niet. We waren allemaal alleen, maar nu vormen we samen een zwermpje. Net als de vissen in de zee of de spreeuwen in de lucht – niemand is de baas. Met twee regels (niet botsen en in de buurt blijven) zwerm je vanzelf.

Bekijk hier en hier filmpjes over filevorming en zwerming

Gevangen in plastic

De grote fabriekshal – vroeger Philips – is donker en leeg. In het midden hangt een hoge banner en een strook plastic. Een slanke vrouw loopt naar het plastic en klimt omhoog. Je mond valt open. Op de banner haar schaduw, die soms van haar wegloopt of haar inhaalt. De muziek, die het verhaal vertelt. De bewegingen in het plastic – een vrolijk poppetje, een insect dat het aflegt tegen een vleesetende plant, een vrouw die verstikt, die gevangen raakt in de wereld van cosmetische chirurgie, overgoten met bloed. Vacuüm, met aerial artist Leila Köckenberger, klopt. Het is met afstand het hoogtepunt van de avond.

Bekijk hier een filmpje van een performance van Leila Köckenberger en bezoek haar website voor meer informatie

Wat de boer niet kent

Er staat een rij, als in een echte supermarkt. En hoe langer de rij, hoe meer mensen er aansluiten. Een van de wachtenden heeft geen idee wat er te zien is: ‘Waarom ik naar de Nanosupermarkt wil? Weet ik veel, hier staat een rij.’ Boodschappen doen kan er niet; de Nanosupermarkt laat alleen zien welke nanoproducten binnen 10 jaar in de schappen liggen. Het is een omgebouwde SRV-wagen vol hippe toekomstgadgets. Een greep uit het assortiment. Wijn, die je in de magnetron op smaak kan brengen. Voor de ene gast serveer je zo een glas Merlot en voor de ander een Montepulciano. Een verkleurende ketting reageert op je lichaam – je kan in één oogopslag zien hoe het met de drager gaat. En een doe-het-zelf-setje, waarmee je een paar huidcellen kan laten uitgroeien tot een velletje huid. Voor hyperpersoonlijke liefdesbrieven of het testen van cosmetica, lokt de folder.

Maar een kleine steekproef onder het winkelend publiek wijst uit dat niemand de huid wil: ‘Dat is echt smerig.’ Ook het twitterimplantaat voor in je tand (tand twittert over wat je eet) belandt in het lijstje ‘eng of walgelijk’. Eigenlijk valt alles af wat in of op het lichaam moet; zelfs de wijn loopt niet. Wat willen we dan wel, uit die winkel vol exotische nanodingen? Met stip op één: het meest gewone ding wat er te krijgen is. Wallsmart: een potje muurverf. Wel met een nanotouch, natuurlijk: je kan de kleur na het verven veranderen. Iedere week een nieuw kleurtje op de muur, dat wil Eindhoven wel. Maar verder hoeft die nanotechnologische revolutie voorlopig niet te gaan. Gelukkig is er nog één vrije geest in dé technologiestad van het land – een jongeman die de Nanolift wil. Een soort botox die je zelf in vorm kan kneden. ‘Doe mij maar dat nieuwe gezicht, dat vond ik het meest revolutionaire wat er bij zat.’

Bekijk hier een filmpje van de Nanosupermarkt

Microtalks
Ik glip even binnen in een donker zaaltje in de hoek van het festival. Hier zijn de microtalks, snelle praatjes. Als alle microtalks zo zijn als die van Kees van Overveld over beeldtaal, dan wil ik altijd wel microtalks. Mooie zinnen, mooie beelden, lekker tempo. ‘Knipperende advertenties aan de rand van de website, aan de zijkant van ons blikveld. Zinloos irritant en onvermijdbaar doeltreffend.’ Van Overveld showt hoe ons oertijdbrein verdwaalt in de moderne wereld. Waar is het voor gebouwd? Om snel een roofdier op te merken dat ons besluipt. Dus kunnen we bewegende dingen aan de rand van ons beeldveld niet negeren: die etterige knipperadvertenties. En wat kunnen we niet? Herkennen of een lijn recht is. ‘Rechte lijnen doen er in de natuur niet toe.’ Van Overveld bewijst zijn gelijk met een prachtige optische illusie, vol rechte lijnen, die op het oog zo krom als een hoepeltje zijn.

De sprekers hebben 20 slides en 20 seconden per slide – samen 7 minuten. Per blok zijn er vier sprekers – samen een half uur. Er komen pareltjes voorbij. Masi Mohammi praat over doorgeschoten domotica: ‘Vroeger wenste ik dat mijn computer net zo eenvoudig was als mijn telefoon. Mijn wens is uitgekomen. Ik begrijp mijn telefoon niet meer.’ Irma Földény noemt zichzelf een digitale immigrant: haar ouders horen bij de analoge generatie, terwijl kinderen van nu digitaal ademen. ‘Ik doe mijn best te integreren, maar ik blijf een immigrant: het gaat nooit helemaal vanzelf.’ Arne Hendriks (1,96 meter) verkoopt gelikt zijn idee om de mensheid laten krimpen tot 50 centimeter, door te rommelen met genen die dwerggroei veroorzaken.

Ik wil altijd wel goede microtalks. Maar zodra er een mindere presentatie voorbij komt, haak ik af en glip ik weer weg. Buiten is het feest, ik wil bewegen – het is er de avond niet naar om een heel half uur op je kont te zitten en te luisteren.