poes in doos

Begin dit jaar werden kattenliefhebbers opgeschrikt door het nieuws dat het houden van katten kon leiden tot hersentumoren. Dit klinkt als een raar verhaal, en dat bleek het ook te zijn. Er was namelijk niet ontdekt dat katten hersentumoren kunnen veroorzaken, er was slechts een correlatie gevonden tussen een veelvoorkomende parasiet en het aantal hersentumoren. Dit is een oude, hardnekkige denkfout in de wetenschap: Correlatie betekent niet Causaliteit.

De aanstichter van dit rumoer was Toxoplasma gondii, een parasiet die voorkomt in de ontlasting van katten, maar bijvoorbeeld ook in tuinaarde. De parasiet kan mensen besmetten, via katten, door tuinieren of door het eten van ongewassen groenten. Dit is meestal onschadelijk, alleen bij zwangere vrouwen levert infectie een risico op voor het ongeboren kind. In Nederland is 30% van de bevolking ooit geïnfecteerd geweest met Toxoplasma - maar deze mensen hebben lang niet allemaal een kat.

Een experiment waarbij ratten geïnfecteerd werden met de parasiet leidde tot een rare gedragsverandering: in plaats van bang te zijn voor katten kregen ratten een voorkeur voor kattenurine en begaven zich zo gevaarlijk dicht in de buurt van hun vijanden. De rat wordt zo een makkelijke prooi, waardoor de parasiet zich kan voortplanten in de darmen van de kat. De gedragsverandering bij ratten wordt veroorzaakt doordat de parasiet zich nestelt in delen van de hersenen die betrokken zijn bij angstgedrag.

Er zijn aanwijzingen dat ook mensen die geïnfecteerd zijn met Toxoplasma risicovol gedrag gaan vertonen. Een Tsjechishe wetenschapper beweert dat mensen hierdoor ook zelfdestructieve dingen gaan doen, als onveilig de straat oversteken. Hij publiceerde studies waarin hij een verband liet zien tussen infectie en het risico op verkeersongelukken. Ook andere wetenschappers vonden een relatie tussen Toxoplasma-infecties en neurologische afwijkingen zoals schizofrenie.

Bij ratten leidde infectie met de parasiet ook tot hersentumoren. Franse onderzoekers vonden dit genoeg reden tot verdere studie en onderzochten of Toxoplasma-infecties ook bij mensen gecorreleerd was met hersentumoren. Ze gebruikten hiervoor statistieken van het percentage mensen die ooit besmet waren geweest met de parasiet  en vergeleken dit met het voorkomen van hersentumoren in bepaalde landen. Een hoger infectiepercentage correleerde inderdaad met een hoger aantal hersentumoren. Ook regionale verschillen in Frankrijk gaven hetzelfde beeld: infectie met Toxoplasma gondii was gerelateerd aan een hogere kans op hersentumoren.

De pers sprong hierop: in Nederland heeft de helft van de huishoudens katten, dus dit zou een risico voor de volksgezondheid zijn! Maar er was ook kritiek, en vorige maand verscheen een nieuw onderzoek, waarin Britse onderzoekers de gegevens van een groot bevolkingsonderzoek gebruikten en aantoonden dat er geen verband was tussen kattenbezit en hersentumoren. Ook zagen ze, wat al eerder bekend was, dat er geen correlatie was tussen het hebben van een kat en de kans op Toxoplasma-infectie.

Echter, alle genoemde onderzoeken keken naar correlaties tussen verschijnselen: infectie met de parasiet versus hersentumoren; kattenbezit versus hersentumoren, enzovoorts. Er was in geen enkele studie kwestie van oorzaak en gevolg. Dat is pas het geval als een biologisch mechanisme wordt ontdekt waarmee valt te verklaren waaróm Toxoplamsa-infectie leidt tot hersentumoren. Dit onderzoek was niet meer dan het vergelijken van statistieken, en dat is nog lang geen causaliteit. Helaas is voor de gemiddelde burger én journalist het verschil tussen correlatie en causaliteit niet zo duidelijk, met grote ophef over niets als gevolg. Kattenliefhebbers kunnen gerust ademhalen.

Dit stuk verscheen in de Groene Amsterdammer