Op de markt in Marrakesh werd ik afgezet door een koopman. Daarna bleek dat de boekingsservice van het hotel meer kosten had berekend dan vermeld. Het ging om ongeveer hetzelfde bedrag, maar ik was veel verontwaardigder over de extra hotelkosten. Die vond ik echt oneerlijk.

Mijn ontstemming werd deels bepaald doordat de marktkoopman armer was dan ik en de eigenaar van de boekingswebsite waarschijnlijk rijker. Maar is dat de definitie van rechtvaardigheid? Met een gedragseconomisch pincet valt rechtvaardigheid in minstens drie varianten uit elkaar te trekken (zie ook Misdaad en Straf). Om te beginnen is er rechtvaardigheid in de procedurele zin. Een andere opvatting van rechtvaardigheid is efficiëntie: de verdeling die, los van hoe ze tot stand is gekomen, voor zoveel mogelijk mensen zo veel mogelijk oplevert. Een derde variant is rechtvaardigheid op uitkomstenniveau, de wereld waarin alle welvaart zo gelijk mogelijk verdeeld is.

Overtredingen van al deze vormen van oneerlijkheid straffen mensen vaak en gretig af. Speltheoretisch is dat raadzaam om herhaling te voorkomen. In de praktijk is die neiging tot straffen al zo lang ingebakken, dat we het automatisch doen en zelfs lekker zijn gaan vinden. We zijn bereid er geld op toe te leggen om maar te zorgen dat er recht wordt gedaan. Dat kan tot uitkomsten leiden die voor iedereen onwenselijk zijn. Zo betoogde James Surowiecki vorige maand in The New Yorker: “Europa zoekt niet naar wat de beste oplossing is voor Griekenland; Europa zoekt naar wat eerlijk is.” Surowiecki refereert aan rechtvaardigheid in procedurele zin. Er waren afspraken gemaakt, Griekenland besodemieterde de boel, daarom willen Nederland en Duitsland nu Griekenland ‘terugpakken’. De komende maanden moeten er stevige beslissingen gemaakt worden over Griekenland. Zouden we daarbij echt de ‘procedurele rechtvaardigheid’, lees wraak, laten prevaleren boven een efficiënte oplossing?

Dat is een empirisch vraagstuk. Uit experimenten blijkt dat de mate waarin mensen recht willen halen afhankelijk is van onder andere de zwaarte van de misdaad, onze relatie met de oplichter en of de bestraffing openbaar is. Deze maand verscheen er een artikel waarin een andere opvatting van rechtvaardigheid doorslaggevend bleek: het verschil in rijkdom tussen oplichter en gedupeerde.

Om dat resultaat te onderbouwen moet er wat gemanipuleerd worden, want zo vaak worden we niet beroofd door iemand die rijker is dan wij. Twee Britse biologen hebben die situatie in de vorm van een internetspel gegoten, waaraan 560 anonieme spelers deelnamen. Sommigen kregen 70 cent, anderen 30 en anderen 10 cent. Ze werden per tweetal aan elkaar gekoppeld, waarna één van beiden de gelegenheid kreeg om 20 cent te ‘stelen’ van de ander. Als een dief met 30 cent iemand met 70 cent beroofde, hadden beide spelers daarna dus 50 cent. In andere gevallen was de dief voor de roof al rijker dan de gedupeerde. Na afloop kreeg de gedupeerde kreeg de kans om de dief te straffen, door voor 10 cent 30 cent van de ander te vernietigen.

Als de dief rijker eindigde dan de gedupeerde, deelde de gedupeerde drie keer zo vaak straf uit. Straffen kostte geld, dus daardoor werden de gedupeerden nog armer dan ze al waren (en de dieven ook). Blijkbaar sta ik niet alleen in mijn overtrokken reactie op de rijke boekingsservice in Marrakesh en mijn vergevingsgezindheid jegens de marktkoopman. De conclusie van het artikel is dat onze afkeer van ongelijkheid zwaarder weegt dan onze neiging tot het afstraffen van een misstap. Voor de Grieken zou dat ontegenzeggelijk goed nieuws zijn.