Op 24 juni vonden Galapagos-natuurbeschermers het lijk van George de reuzenschildpad, in de Guinness World Records-tabellen beter bekend als het zeldzaamste dier ter wereld. Zijn sterven betekent het definitieve einde van een gigantisch marketingsucces voor de promotie van natuurbescherming, maar biologisch gezien was het al jaren een hopeloze zaak.

Sinds 1972 woonde het allerlaatste exemplaar van de ondersoort van de Galapagos-reuzenschildpadden op het terrein van het Charles Darwin onderzoeksstation op een  eiland van de archipel. Daar was hij naartoe gebracht vanaf zijn eigen eiland, Pinta, waar hij toen al het laatste exemplaar was. Veertig jaar lang probeerden biologen de mediagenieke Lonesome George tevergeefs te koppelen aan verschillende vrouwtjes van reuzenschildpad-ondersoorten afkomstig van de andere eilanden. Ook het bericht in 2007 dat wetenschappers een hybride individu vol Pinta-genen hadden gevonden baatte niet, want de schildpad in kwestie was een mannetje. Verder dan het veroorzaken van een paar nesten vol onvruchtbare eieren kwam George uiteindelijk niet, waarmee de laatste Pinta-reuzenschildpad het lot van zijn ondersoort definitief met de beperkingen van zijn eigen vermogen tot voortplanting verbond.

De publieke rouw om de dood van George en daarmee het door onszelf veroorzaakte uitsterven van alweer een verschijningsvorm van het leven klinkt hoopgevend, maar lijkt toch vooral clichématig en hypocriet. Terwijl vrijwel iedere krant ter wereld deze week over het einde van de Pinta-reuzenschildpad bericht liggen de tonijnsteaks in onze supermarkten en is de lijst van bedreigde vogelsoorten langer dan ooit. We vinden het zielig dat die sukkelige schildpad nooit aan de vrouw is gekomen, maar doen niet al te moeilijk over het opknippen van de leefwereld van soorten die een nieuw bedrijventerrein in de weg zitten.

Onze beschermingsdrang lijkt vooral gedirigeerd door het economisch verband dat waarde koppelt aan de mate van schaarste. Voor leven dat wat in de verdrukking is geraakt – en waarschijnlijk met wat eenvoudige maatregelen meer lucht zou kunnen krijgen – komen we nauwelijks in actie. Pas bij een acuut risico om een beest of plant daadwerkelijk voorgoed te verliezen slaan we alarm.

Bestaansminimum
Uit biologisch oogpunt is die economische wetmatigheid echter een slechte raadgever. Iedere bioloog kent het voorbeeld van de Mauritiustorenvalk, die vogelbeschermers dankzij specifieke eigenschappen van deze vogels vanuit een dieptepunt van vier individuen weer tot een gezonde populatie wisten op te kweken, maar dat is de uitzondering die de regel bevestigt. Zodra de omvang van een populatie kleiner wordt dan de kritische grootte voor die soort, dan wordt die biologisch gezien too small to bail. Inteelt, onvoorziene sterfte en verstoorde relaties binnen het ecosysteem zijn slechts een paar van de vrijwel onoverkomelijke problemen voor soorten waarvan het aantal individuen onder het biologische bestaansminimum zakt.

George is nu gestorven, maar zijn ondersoort was al decennia evolutionair dood. Het gebruik van de dieren als handig en lang houdbaar voedsel voor de scheepvaart werd ook deze reuzenschildpad fataal, net zoals we ook de trekduiven van Noord-Amerika allemaal hebben opgegeten en de quagga-zebra’s van de steppes van Zuid-Afrika hebben afgeschoten. Ook voor die twee soorten kwamen we te laat in actie: de laatste trekduif stierf in de dierentuin van Cincinnati, de laatste quagga in Artis. Zelfs de biologen zijn niet vrij van blaam: Darwin’s expeditie nam op de terugtocht vanaf de Galapagos een stuk of dertig reuzenschildpadden mee – als proviand.